Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zürich, waar hij van 1859 tot 1868 als directeur werkzaam was. In 1871 vertrok hij als directeur en hoogleeraar in de werktuigkunde en de leer van de mijnbouwwerktuigen naar de mijnbouwacademie te Freiberg. Hier bracht hij een belangrijke reorganisatie der academie tot stand, maar vertrok reeds in 1873 als hoogleeraar in de technische werktuigkunde en theoretische machineleer en directeur der polytechnische school naar Dresden, waar hij deze inrichting tot een hoogeschooi verhief. In 1890 nam hij zijn ontslag als directeuren 1897 nam hij pensioen. Hij overleed den 17den October 1907 te Dresden. Van zijn werken noemen wij: „Die Schiebersteuerungen mit besonderen Berücksichtigung der Lokomotivsteuerungen"(1858), „Grundzüge der mechanischen Warmetheorie" (1860, 3de druk, onder den titel „Technische Thermodynamik" 2 dln., 1887—1889, 6de druk, 1906), „Über das Wanken der Lokomotiven" (1861) „Das Lokomotivenblasrohr" (1863), „Abhandlungen aus der mathematischen Statistik" (1869) en „Vorlesungen über Theorie derTurbinen" (1899). Met Königsberger te Weenen gaf hij van 1876—1877 het: „Repertorium der literarischen Arbeiten aus dem Gebiete der reinen und angewandten Mathematik" in het licht en tot 1857 redigeerde hij het tijdschrift „Der Zivilingenieur", dat in 1853 door hem met Weishach en Bornemann was opgericht.

Zeus was bij de Grieken de naam van den oppersten god, die overeenkomt met Jupiter (zie aldaar) bij de Romeinen. Volgens de sage was hij een zoon van Kronos, waarom hij ook onder den naam van Kronion en Iironide voorkomt, en van Rhea. De eene sage vermeldt hem als den oudsten, een andere als den jongsten zoon, dien Rhea uit vrees, dat hij evenals haar andere kinderen door Kronos verslonden zou worden, heimelijk in een grot van het ldagebergte op Kreta ter wereld bracht en door nymfen liet opvoeden (zie Amaltheia). Toen Zeus volwassen was, trad hij in het huwelijk met Metis (zie aldaar), die Kronos door een tooverdrank dwong zijn kinderen weder uit te spuwen. Daarop bracht Zeus met Poseidon, Hades, Hestia, Demeter en Hera Kronos en de Titanen ten val en verdeelde met Poseidon en Hades de wereld, waarbij hij in het bezit kwam van den hemel en koning werd over goden en menschen. Reeds bij Homeros wordt zijn zuster Hera, de moeder van Ares, Hephaestos en Hébe, als zijn rechtmatige gemalin vermeld, volgens een andere voorstelling gaan aan dit huwelijk een aantal andere vooraf, n.1. met Melis, Themis, Eurynome, Demeter, Mnenwsyne en Leto. Te Dodona gold later ook Dione als zijn gemalin. Als zijn kinderen worden Pallas Athene, die uit zijn hoofd te voorschijn sprong, de Horen, de Schikgodinnen, de Charieten, de Muzen, Perseplione, Apollo, Artemis, Hermes, Herakles en Dionysos vermeld. Zeus werd als god van den hemel bijna overal op hooge bergen vereerd, in het bijzonder werd de Olympos als zijn zetel beschouwd. Alle verschijnselen, die op den hemel en het weer betrekking hebben, werden aan hem toegeschreven; hij verzamelde de wolken, veroorzaakte den regen, slingerde de bliksems rond, bewerkte donder en storm, doch bracht ook weder de elementen tot bedaren. Hij regelde de jaargetijden en zorgde vaderlijk voor de natuur, de goden en de menschen. Goed en kwaad was van hem afkomstig; hij was de redder uit den nood, verleende over¬

winning, zorgde voor regelmaat, orde en recht, beschermde ongelukkigen, hield het huisgezin, de staten enz. in stand, schonk de persoonlijke en de nationale vrijheid, wreekte alle fouten tegen de wereldorde en verleende boetvaardigen de gelegenheid hun schuld te boeten. Alle voorspellingen vonden hun grond in hem. De eik en de adelaar waren aan hem gewijd, die met den scepter en den bliksem zijn attributen vormen.

De kunst heeft zich met Zeus meer dan met eenige andere godheid beziggehouden. Hij komt in zeer verschillende vormen voor. De meeste standbeelden stellen hem in den vollen bloei van mannelijke kracht voor, dikwijls op een troon en bekleed met een mantel. Meestal heeft hij golvend haar en een vollen baard. Zoo verschijnt hij o. a. in de beroemde, in Otricoli gevonden buste van het Vaticaan (zie de

Zeus-Serapis.

plaat bij Jupiter) die men vroeger voor een navolging van den Olympischen Zeus van Phidias hield. Dit laatste, een beeld van goud en ivoor, was het meest beroemde kunstwerk van de Oudheid. Navolgingen hiervan zijn alleen op munten uit het landschap Elis bewaard. Tot de meest bekende voorstellingen van Zeus behooren verder: de Verospische Zeus uit het Vaticaan, de Zeus van Dodona, de Zeus-Ammon, die trekken aan Egyptische goden heeft ontleend, en de Zeus-Serapis (zie de afb.), die een schepel op het hoofd draagt.

Zeus faber (Zonnevisch). Zie Cyttidae.

Zeusz, Johann Kaspar, een Duitsch geschieden taalkundige, geboren den 22sten Juli 1806 te Vogtendorf in Ober-Franken, studeerde te München in de letteren en in de geschiedenis, werd in 1839 hoogleeraar in de geschiedenis aan het lyceum te Spiers en in 1847 aan dat te Bamberg. Van zijn werken noemen wij: „Die Deutschen undihreNachbarstamme" (nieuwe druk, 1904), „Die Herkunft der Bayern von den Markomannen"(1839), „Traditiones possessionesque Witzenburgenses" (1842) en „Die freie Reichstadt Spier vor ihre Zerstörang"(1843). Door zijn hoofdwerk over de „Grammatica celtica"

Sluiten