Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

burg). In 1905 werd er 99.636,4 kg. zout geproduceerd. Daarenboven wordt zout geleverd door meer dan 700 zoute bronnen. Tusschen Szovata en Parajd treft men bergen aan, die uit zuiver bergzout bestaan.

Van den bodem wordt 22,6% als bouwland, 0,5% als wijnland, 16,5% voor weiden en tuinen en 36,3 als bosch gebruikt, terwijl 13,5% onproductief is. De plantenwereld levert een menigte geurige Alpenkruiden, appelen, peren, pruimen, kersen, kastanjes, amandelen, perziken, abrikozen, moerbeziën, verfhout enz. De uitgestrekte bosschen bestaan uit fijne en grove denne-,beuke-,eike-, elzeboomen enz. In geheel Zevenburgen groeit de wijnstok, maar hij tiert het best aan de oevers van Maros en de beide Kokels. Ook verbouwt men er meloenen, aardappelen, tabak en saffraan, en vooral tarwe, rogge, gerst, gierst, maïs en vlas.

In het dierenrijk vindt men eveneens een groote verscheidenheid. De veeteelt is van veel belang en geeft aanleiding tot een aanzienlijken uitvoerhandel naar Hongarije; in deugdelijkheid komen de runderen van Zevenburgen met de Hongaarsche overeen. Buffels worden tot trek- en lastdieren, zelden als slachtvee gebezigd, de melk der bufielkoeien is voortreffelijk. Paarden worden in groot aantal uitgevoerd; zij zijn grooter en sterker dan de Hongaarsche. Men houdt hoofdzakelijk twee soorten schapen: Zoerkanschapen met lang, grof haar, en Berke of Zigeyschapen met gekroesde, fijne wol. Varkens worden er in menigte in de eike- en beukewouden gemest. Tot de wilde dieren behooren, beren, wolven, vossen, wilde zwijnen en gemzen. In sommige streken worden veel zijdempsen geteeld; ook de bijenteelt is van veel belang; honig en was worden in groote hoeveelheden uitgevoerd.

De bevolking van Zevenburgen is zeer gemengd. In 1901 bedroeg het aantal inwoners 2 456 838. Hiervan waren 56% of 1 397 282 zielen Roemeniërs, 33% of 814 994 zielen Magyaren en 9,4% of 233 019 zielen Duitschers. De laatsten, de zoogenaamde Zevenburger Saksers vormen het meest ontwikkelde deel van de bevolking. De Roemeniërs zijn overliet geheele land verspreid, het meest in hetW. enZ.; Magyaren treft men het meest in het W. en O. aan. De Magyaren, die in de oostelijke bergstreken wonen, worden Szekler (zie aldaar) genoemd. De Zevenburger Saksers, die een eigen literatuur hebben, bedienen zich als schrijftaal van het Hoogduitsch hun spreektaal nadert tot de Middel- en NederRijnsche dialekten. 30% van de bevolking of 778 928 zielen belijden den Grieksch-Oosterschen godsdienst, 27,9% of 691 896 den Grieksch-Katholieken, 14,7% of 364 704 den Hervormden, 13,4% of 331 199 den Roomsch-Katholieken, 9% of 224 346 den Protestantschen godsdienst, volgens de Augsburger Confessie, 2,6% of 64 494 den Unitarischen en 2,2% of 53 065 den Joodschen godsdienst.

Aan landbouw en veeteelt wijden zich vooral de Magyaren en Szekler, de Saksers doen buitendien aan wijnbouw. Bij de Roemeniërs staat de veeteelt op den voorgrond. De nijverheid komt in den laatsten tijd tot ontwikkeling. Men vindt er een aantal fabrieken, die bier, spiritus, suiker, glas, kaarsen, meel, leer, papier, laken, baksteenen, marmer enz. leveren. In de dorpen wordt linnen, meestal uit hennep, geweven, doch gewoonlijk slechts alleen voor eigen gebruik; laken en bontgekleurde

handwerken worden vooral vervaardigd te Hermannstadt, Kronstadt, Heltau, Kalotaszeg en in het gebied van de Szekler. Bekend zijn de waterkruiken uit fijn, grijs leem en de drinkschalen uit aluinleem. Het binnenlandsch verkeer is tamelijk levendig; de handel in vee, boter, kaas enz. is meest in handen van de Roemeensche bergbewoners, de houthandel wordt voornamelijk door de Szekler gedreven. Het aantal spoorweg- en telegraaflijnen heeft zich in den laatsten tijd zeer uitgebreid. Over den pas Ghimes, bij Predeal en door den Rooden Torenpas voeren spoorwegen naar Moldavië en Roemenië.

De voornaamste inrichtingen van onderwijs zijn: de universiteit te Klausenburg, een aantal Hervormde en Luthersche colleges, 32 gymnasia, 6 hoogere burgerscholen, 9 theologische scholen en 13 kweekscholen. Van de leerplichtige kinderen bezoekt 70% de school. Zevenburgen telt 27 steden, 227 markten of groot-gemeenten en 2118 dorpen of klein-gemeenten,tezamen met 523 663 woonhuizen. Het is verdeeld in de comitaten Bistritz-Naszód, Czik, Fogaras, Groszkokelburg, Haromszék, Hermannstadt, Hunyad, Klausenburg, Kleinkokelburg, Kronstadt, Maros-Torda, Szolnok-Doboka, Torda-Aranyos, Udvarshely en Unterweiszenburg. Het wapen van Zevenburgen bestaat uit een blauw en een gouden veld, gescheiden door een roode streep. In het bovenveld vertoont zich een wassende zwarte adelaar, geflankeerd door een gouden zon en een zilveren halve maan; inhetbenedenveldziet men 7 roode burchten. Het schild is overdekt door de grootvorstelijke kroon. De landskieuren zijn blauw, rood en geel.

Als de oudste bewoners van Zevenburgen noemt Herodotus de Agathyrsen, later ontstond aldaar het rijk van de Daciërs. Tusschen 101—107 n. Chr. stichtte Trajanus er de Romeinsche provincie Dacië. In 275 kwam deze aan de Goten, vervolgens aan de Hunnen, in 452 aan de Gepiden en tenslotte aan de Avaren. Toen de Magyaren er binnentrokken, was het land onbeheerd. Met lange tusschenruimten werd het door de koningen uit het geslacht der Arpaden gekoloniseerd, o. a. door Stefanus 1 en Ladislaus 1, die de Székler in het land riep. Onder Géza 11 (1141—1161) werd de noordoosthoek, de dalen van de beide Kokels en het zuiden door Duitsche kolonisten („Saksers" en „Vlamingen" geheeten) bevolkt. Over de Saksers voerde een comes, als plaatsvervanger van den koning, over de Magyaren een woiwode en over de Székler een ispan of gespan het bewind. De Roemenen, die zich onder Andreas II in het land vestigden, behoorden tot den stand van de lijfeigenen. In 1427 en vervolgens in 1459 sloten de Saksers, de Magyaren en de Székler een aanvallend en verdedigend verbond om hun vrijheden te verdedigen. Vooral tegen de Turken moesten zij zich herhaaldelijk verdedigen, van 1440— 1442 werden de Turken teruggeslagen door den woiwode Hunyadi, in 1479 door de veldheeren van Matthias Corvinus. Na den Slag van Mohacs werd de woiwode Zapolya tot vorst van Zevenburgen uitgeroepen, die onder de oppersouvereiniteit van sultan Soliman II Zevenburgen van Hongarije losmaakte. In 1538 sloot hij het verdrag van Groszwardein met Ferdinand I, krachtens welke hem de titel van koning van Hongarije en van alle door hem bezeten landen werd toegekend, terwijl die gewesten

Sluiten