Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 dln., 1766), een roman, die alle gebreken van zijn tijd vertoont, veel bombast en beschrijvingen van gruweldraden bevat, doch zich tevens door een zekere kracht en originaliteit onderscheidt. Dit werk heeft grooten invloed op de ontwikkeling van de literatuur gehad. Zijn overige werken zijn van minder belang.

Ziehen, Eduard August Philipp, een Duitsch dichter en schrijve*, geboren den 298ten October 1819 te Tostedt in Hannover, studeerde te Göttingen en Bonn in de godgeleerdheid en letteren, was gedurende eenige jaren huisonderwijzer bij den Hannoverschen Bondsdaggezant von Lenthe te Frankfort a. d. M. en gaf in die dagen zijn eerste dichterlijke voortbrengselen in het licht. Na 1848 woonde hij als letterkundige in laatstgenoemde stad, werd in 1855 lid der redactie van de „Oberpostambtszeitung", maar bepaalde zich sedert 1866 bij het schrijven van novellen, nadat hij het lyrisch-episch gedicht „Eginhard und Emma" reeds in 1860 had ter perse gelegd. Onder het pseudoniem Eduard Elr lersberg schreef hij voor het tooneel het blijspel: „Eine Damenverschwörung" en de tooneelspelen: „In stürmischer Zeit" en „Gaston von Ronac". Verder leverde hij: „Wendische Weiden" (1854), „Norddeutsches Leben" (2 dln., 1857), „Geschichten und Bilder aus dem wendischen Volksleben" (1859) en „Heiderasen, Erzahlungen aus Niedersachsen" (4 dln., 1876).

Ziehen, Theodor, een Duitsch psychiater, geboren den 12den November 1862 te Frankfort a. d. Main, studeerde te Würzburg en te Herlijn, was assistent van Kahïbaum te Görlitz en van Binswanger te Jena, waar hij zich in 1887 vestigde als privaatdocent en in 1892 optrad als buitengewoon hoogleeraar. In 1900 werd hij benoemd tot gewoon hoogleeraar te Utrecht, in 1903 te Ilalle en in 1904 te Berlijn. Behalve talrijke artikelen in tijdschriften, verschenen van hem: „Leitfaden der physiologischen Psychologie" (88te druk, 1908), „Psychophysiologische Erkenntnistheorie" (2d0 druk, 1907), „Psychotherapie" (in het „Lehrbuch der allgemeinen Therapie van Euleriburg Samuel, 1898), „Das Zentralnervensystem der Monotremen und Marsupialien" (in dl. 6 van de „Denkschriften der medizinisch-naturwissenschaftlichen Gesellschaft in Jena", 3 dln., 1897, 1901 en 1905), „Das Verhaltnis der Herbartschen Psychologie zur physiologisch experimentellen psychologie" (1900), „Die Ideenassoziation des Kindes" (2 dln., 1898—1900), „Die Erkennung und BéhandJung der Melancholie" (2de druk, 1907), „Makroskopische und mikroskopischeAnatomie des Rückenmarks und des Gehirns" (in Bardeleberis „Handbuch der Anatomie des Menschen", dl. 4 1899—1903), „Über die allgemeinen Beziehungen zwischen Gehirn und Seelenleben" (1902), „Psychiatrie" (3de druk, 1908) en „Die Geisteskrankheiten des Kindesalters" (3 stukken, 1902 —1906). Verder geeft hij met Wernicke de „Monatschrift für Psychiatrie und Neurologie" (sedert 1897) en met Schiller de „Sammlung von Abhandlungen aus dem Gebiete der padagogischen Psychologie und Physiologie" (sedert 1897) uit.

Ziehnert, Johann Gottlieb, een Duitsch opvoedkundige, geboren in 1780, te Quohren bij Dresden, studeerde in de theologie en werd in 1810 rector en hospitaalprediker te Königsbruck, in 1816 diaconus_te Grosenhayn en in 1828 godsdienstleer¬

aar te Schlettau. Hij heeft een groot aantal geschriften voor de jeugd geleverd, van welke wij noemen: „Denksprüche" (1804), „Kleine Schauspiele zur Unterhaltung für die Jugend" (1812), „Gemalde aus dem Geschaftskreise" (1815), „Der kleine Declamato'r"(1815, 2de druk, 1819), „Winterfreuden" (1815, 2de druk 1819), „Sommerfreuden" (1816), „Die erzahlende Mutter im Kreise ihrer Kinder" (1816), „Der erzahlende Vater u. s. w." (1821), „Neue Kinderbibliothek für das reifere Alter" (2 dln., 1822), „Abenteuer und Wanderungen im Gebiete der Naturgeschichte und Geographie" (1834) enz. Ook gaf hij eenige deelen in het licht van het „Kasualmagasin" van J. K. Grosze.

Ziekenbus. Zie Ziekenfonds.

Ziekenfonds, ook wel ziekenbus geheeten, noemt men een door een aantal hoofden van gezinnen bijeengebracht fonds, dienende om ieder van hen of ieder lid van hun huisgezin beneden een bepaalden leeftijd in tijd van ziekte bij te staan ter bekostiging van geneeskundige hulp of van onderhoud of van beide. Gewoonlijk geschiedt de bijeenbrenging van het fonds door middel van eene kleine wekelijksche bijdrage. De ziekenfondsen zijn zeer oud; men vindt er in Engeland reeds melding van gemaakt in de llde en in Frankrijk in de 16de eeuw. Tot in de tweede helft van de vorige eeuw was de organisatie dier bussen hoogst gebrekkig. Bij het bepalen der bijdrage bekreunde men zich niet om den ouderdom der leden, maar vroeg van allen een gelijke bijdrage, welke daarenboven in den regel veel te gering was. Menig ziekenfonds was dan ook buiten staat om aan zijn verplichtingen te voldoen. Later echter hebben in Engeland Neison en Finlaisan, in Frankrijk HuVbard en in Duitschland Heym, op grond van statistieke gegevens omtrent de ziektegevallen, daarin verbetering gebracht. Eerst daarna werd het mogelijk ziekenfondsen te stichten op een deugdelijken grondslag, zoodat ieder betalen moet naar zijn leeftijd. Heym riep in 1885 het eerste ziekenfonds van dien aard, namelijk de „Leipziger Krankenkasse" in het leven, welke later is uitgebreid tot een levensverzekeringmaatschappij, die nog bestaat. De bepalingen, onder welke zulke fondsen werken, zijn zeer verschillend. Een der oudste fondsen in ons land is de in 1836 opgerichte „Sociëteit Voorzorg" te Amsterdam, terwijl in 1847 aldaar het „Algemeen Ziekenfonds voor Amsterdam" werd gesticht, nog altijd de grootste instelling van dien aard in ons land. Men heeft in ons land op onderscheidene plaatsen ziekenfondsen, waaruit de geneesheer een vaste jaarlijksche belooning geniet voor de behandeling van de ziekten der deelhebbers; daarnaast betaalt het fonds de geneesmiddelen en wat de zieke verder noodig heeft. Ook heeft men er, inzonderheid aan werkliedenvereenigingen verbonden, waaruit daarenboven aan het hoofd des gezins, ingeval hij door ziekte belet wordt zijn gewone werkzaamheden te verrichten, wekelijks een zekere som wordt uitgekeerd. Zie verder Arbeidersverzekering.

Ziekenhuis of Hospitaal noemt men een gebouw, waarin zieken opgenomen en behandeld worden. Zijn dezen soldaten, dan geeft men aan zoodanige inrichting den naam van militair hospitaal of lazaret. Ten opzichte van ligging, ventilatie, verwarming, verlichting, inrichting enz. worden aan de ziekenhuizen bepaalde eischen^gesteld. Zoo moeten

Sluiten