Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

taire organismen enz. Experimenteele pathologie noemt men dat deel van de algemeene pathologie, dat zich met het onderzoek op dieren bezighoudt. Zie Vivisectie.

Ziekteverzekering1 of Verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ziekte. Zie Arbeidersverzekering en Ziekenfonds.

Ziel (Grieksch: Psyche, Latijn: Anima) is volgens het gewone spraakgebruik het werkend beginsel in een levend wezen, dat zich in het gewaarwordingsvermogen, in de willekeurige beweging en (bij den mensch) in de taal openbaart. De natuurmensch beschouwt, zooals de verschijnselen van het animisme (zie aldaar), het fetisjisme (zie aldaar) en de mythen en sagen van den oertijd bewijzen, alle mogelijke dingen uit de hem omringende wereld als bezield, bij een nuchtere, verstandelijke beschouwing van de natuur beperkt zich de toepassing van het begrip ziel feitelijk tot het dierenrijk, ofschoon het niet wel mogelijk is tusschen de laagste organismen een scherpe grenslijn te trekken. Terwijl volgens sommigen ook aan de planten een ziel toegekend moet worden, ontkennen anderen, dat de dieren een ziel bezitten. Tengevolge van den slaap, den dood enz. komt het primitieve denken tot de voorstelling, dat de menschelijke ziel zich van het lichaam kan scheiden. Toch wordt zij oorspronkelijk algemeen als iets materieels beschouwd. Ook in de wetenschap heeft de materialistische opvatting van de ziel ingang gevonden. Van de oudere Grieksche wijsgeeren beschouwde Anaximenes haar als lucht, Heraklites als vuur, de atomistici als een aggregaat van fijne en gladde atomen, terwijl het moderne materialisme de zielsverschijnselen beschouwt als werking van lichamelijke organen. Tegenover de materialistische staat de spiritualistische beschouwing, volgens welke de ziel een zuiver immateriaal iets is, dat tijdelijk met het lichaam is verbonden.

Afgezien van de nog niet voldoende onderzochte stelsels van de Indische wijsbegeerte, werd het spiritualistische zielsbegrip het eerst ontwikkeld door Plato. Hij onderscheidde drie functies van de ziel, n.1. het begeeren, dat in den buik, het gemoed, dat in de borst en het verstand, dat in het hoofd zijn zetel had. Aristoteles kende aan de planten alleen een voedende, aan de dieren, behalve deze nog een gevoelende, en aan de menschen bovendien nog een denkende ziel toe, welke laatste alleen onafhankelijk van het lichaam is, terwijl de andere twee met het lichaam ontstaan en vergaan. In de Middeleeuwen hield men in het algemeen aan de leer van Aristoteles vast, in de 14ae en 15ae eeuw gaf zij tot gedeeltelijk zeer phantastische beschouwingen aanleiding. Beslissend voor de nieuwere wijsbegeerte werd het dualistische stelsel van Descartes, dat lichaam en ziel als twee zelfstandige, geheel verschillende elementen beschouwde, die uit zich zelf geen gemeenschap kunnen hebben, doch alleen tijdelijk in den mensch door den wil van den Schepper zijn verbonden. Volgens Leibniz staat het zielsleven geheel op zich zelf en vormt een afgesloten geheel, volgens Eerhart ondergaat het den invloed van het lichaam.

Tegen het begrip van de zelfstandigheid en individualiteit van de ziel trad het metaphysisch monisme op, dat haar als een modificatie van het alles omvattende grondbeginsel van de dingen opvatte. Het empirisme en het phaenomenalisme daarentegen ontkennen het werkelijk bestaan van de ziel en

identificeeren datgene wat men gewoonlijk onder ziel verstaat, met een reeks achtereenvolgende bewustzijnstoestanden. De verschillende beschouwingen over de ziel bewijzen reeds, dat het begrip niet door de ervaring is ontstaan, maar een uitvloeisel van het speculatief denken is. De tegenwoordige psychologie (zie zielkunde) laat de beantwoording van de vraag naar de laatste oorzaak van de zielsverschijnselen over aan de metaphysika en de theologie. De vraag omtrent de betrekking, die er tusschen lichaam en ziel bestaat, behoort, voorzoover men aangeven kan met welke physische verschijnselen in het organisme psychische verschijnselen onmiddellijk verbonden zijn, tot het gebied van de psychophysiek (zie aldaar), de verdere beschouwingen over deze verbinding behooren thuis bij de metaphysika en de theologie.

Ziel, Ernst, een Duitsch dichter, geboren den gden >1 e; X841 te Rostock in Mecklenburg, bezocht aldaar het gymnasium en de handelsacademie en studeerde vervolgens te Rostock, Bonn, Leipzig en Berlijn in de geschiedenis en in de letteren. Nadat hij in 1869 te Rostock op een dissertatie: „Über die dramatische Exposition" gepromoveerd was en in 1871 een reis volbracht had door Denemarken, Zweden en Finland, vestigde hij zich te Leipzig en was er van 1878 tot 1883 redacteur van de „Gartenlaube". Daarop vestigde hij zich te Kannstattbij Stuttgart. Hij schreef een aantal essays, verzameld als: „Literarische Reliefs"(l8te—4ae reeks, 1885—1895), novellen, „Gedichte" (1868), „Ausgewahlte Gedichte" (1901), „Moderne Xenien" (1889), „Das Prinzip des Modernen in der heutigen deutschen Dichtung" (1895), „Von heute. Gedanken auf der Schwelle des Jahrliunderts" (1899) en gaf de tooneelwerken van Duik uit (3 dln., 1893).

Zielkunde of Psychologie is de wetenschap, die zich met de innerlijke, zielkundige verschijnselen bezighoudt, evenals de natuurwetenschap de uiterlijke physische verschijnselen behandelt. De zielkunde kan alleen als een afzonderlijke wetenschap beschouwd worden, wanneer de zelfstandigheid van de innerlijke zielewereld tegenover de materiëele buitenwereld wordt aanvaard. Van het standpunt van het materialisme (zie aldaar) is de zielkunde geen afzonderlijke wetenschap. Maar ook, nadat in de Oudheid door Plato en Aristoteles, later door Descartes de nadruk op het verschil tusschen physische en psychische verschijnselen was gelegd, bleef het begrip en het wezen van de zielkunde onzeker en onbepaald, omdat men zich minder met het onderzoek van de afzonderlijke zielkundige verschijnselen, dan met de metaphysische vraag naar het wezen van de ziel bezighield en men haar meer uit speculatieve beschouwingen dan uit de ervaring opbouwde. Toch vindt men bij Descartes, Spinoza, Leibniz en andere speculatieve psychologen ook talrijke juiste en fijne zielkundige waarnemingen. Locke stelde naast de uitwendige waarneming, den grondslag van de natuurwetenschap, uitdrukkelijk een innerlijke waarneming als de grondslag van de psychologische zelfkennis en bracht de zielkunde daardoor op den weg van de stelselmatige innerlijke waarneming. Deze richting komt nog duidelijker uit bij Hume en de Schotsche psychologen, terwijl de Fransche sensualisten en ideologen, die zich eveneens bij Locke aansluiten, de psychologie op het dogma van het sensualisme (zie aldaar) op-

Sluiten