Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bouwden. Hume beschouwde de wet van de ideeënassociatie als de eerste wet van het zieleleven; zijn associatiepsychologie is tot op den tegenwoordigen tijd in Engeland de hoofdrichting gebleven. In Duitschland trachtte Christian Wolff, de eerste, die de zielkunde stelselmatig bewerkte, de empirische en de speculatieve methode te verbinden, door indeeling in een rationeel, van metaphysische veronderstellingen uitgaand deel van de zielkunde, en een empirisch deel. Beide richtingen hebben in Duitschland uitstekende vertegenwoordigers gevonden. In den laatsten tijd is door de studiën van Wundt en antleren de experimenteele, ook physiologische psychologie genoemd, op den voorgrond getreden.

Het is in eerste plaats de taak van de zielkunde de verschijnselen van het zieleleven, zooals zij zich in werkelijkheid voordoen, te beschrijven en door analyse tot de eenvoudigste elementen terug te brengen. In de tweede plaats moet zij de vormen en de wetten van de deels op elkander volgende, deels gelijktijdig optredende zielsverschijnselen opsporen. Deze taak wordt bemoeilijkt door verschillende omstandigheden. In het zieleleven vindt men geen constante en onafhankelijk van elkander bestaande elementen, zooals de atomen in de stoffelijke wereld; alles is voortdurend aan verandering onderhevig; verder bestaat er tusschen alle elementen een voortdurende wisselwerking, terwijl niet alleen de oogenblikkelijke zielstoestand, maar alles, wat daaraan voorafgegaan is, invloed heeft op de voortdurende verandering. Bij de zielkunde kan geen sprake zijn van wetten in den zin van natuurwetten, die het mogelijk maken uit gegeven oorzaken de uitwerkingen af te leiden; de psychologische wetten zijn slechts uitdrukkingen voor bepaalde typische vormen van het zieleleven, en het doel van zielkundige verklaringen kan slechts zijn van de innerlijke verschijnselen de voorwaarden en oorzaken te zoeken, die ze verklaarbaar maken, niet uit de gegeven omstandigheden de te verwachten verschijnselen af te leiden.

Inzooverre als in het individueele zieleleven deels physiologische, deels geestelijke invloeden van buiten af zich doen gelden, heeft de individueele psychologie als hulpwetenschap aan den eenen kant de psychophysiek (zie aldaar), aan den anderen kant de sociale of volkenpsychologie (zie aldaar) noodig. Als onderdeelen van de algemeene psychologie noemen wij verder nog de kinderpsychologie en de dierenpsychologie. In den laatsten tijd is men begonnen met de studie van de psychopathologie, d. w. z. de abnormale en ziekelijke uitingen van het zieleleven, waarmee de crimineele psychologie (zie aldaar) nauw samenhangt. Tot het gebied van de zielkunde behooren ook de theorieën omtrent het hypnotisme, de suggestie en soortgelijke verschijnselen, die in den laatsten tijd samen met de spiritistische verschijnselen, een mystiek speculatieve richting in de psychologie hebben doen ontstaan.

De eenvoudigste en meest voor de hand liggende methode bij het zielkundig onderzoek is de zelfwaarneming, waarop de oudere psychologie, voorzoover zij van het experiment uitging, bijna uitsluitend steunde. Zij wordt aangevuld door objectieve waarneming van andere individuen. Van een bijzonder belang is het onderzoek van individuen, wier geestelijk leven afwijkt van dat van den norma¬

len volwassen cultuurmensch.rOok geschiedkundige feiten, karakterbeschrij vingen, cultuurhistorischebewegingen, dichterlijke phantasieën leveren materiaal aan de zielkunde. Het eerste psychologische laboratorium werd door Wundt te Leipzig opgericht. Voor de paedagogiek, de ethica en de aesthetica is de zielkunde de grondslag; ook in de taalwetenschap de vergelijkende godsdienstwetenschappen, de staatkundige en sociale wetenschappen, deleer van het strafrecht en in de geschiedenis speelt zij een steeds grootere rol.

Zielmis of Doodenmis is een Nederlandsche naam voor Requiem. Zie aldaar.

Zielsverhuizing' (Metempsychosis of Metensomalosis) noemt men de meening,dat de ziel van den mensch voordat zij in het thans door haar ingenomen lichaam huisvestte, reeds in andere lichamen heeft gewoond (praeëxistentie) en ook na den dood van haar tegenwoordige woonplaats in een ander lichaam zal overgaan, om zich alzoo meer en meer te reinigen en tot hoogere volkomenheid op te klimmen. De leer der Brahmanen stelt de zielsverhuizing voor als een overgang der ziel in booze of goedaardige dieren, die tot boetedoening en reiniging dient. De Egyptische priesters waren van meening, dat de ziel na den dood van het lichaam alle geslachten van dieren doorliep om na verloop van 3 000 jaren weder in een menschelijk lichaam te komen. Aan hen ontleenden waarschijnlijk de Grieken de leer der zielsverhuizing, die onder hen het eerst verkondigd werd door de secte van de Orphici en door Pylhagoras. De latere volgelingen van Pythagoras leerden, dat de geest, bevrijd van het lichaam, ingaat in het rijk der schimmen, en, na een korter of langer verblijf aldaar, weer terugkeert in het lichaam van een mensch of dier, tot het voldoende gelouterd is en waardig om tot den oorsprong des levens terug te keeren. De Orphici leerden, dat de ziel bij haar komst op aarde in een aantal omhulsels (hartstochten en zinnelijke begeerten) werd gewikkeld, waarvan zij zich allengs moest ontdoen, voordat zij tot haar oorsprong kon terugkeeren. De geleider der zielen (psychopompos), die haar naar haar oorspronkelijk vaderland moest brengen, was Dionysos of Bachos, die elke ziel van Persephone ontving (nadat zij in het schimmenrijk een tijd van loutering had doorgebracht), om haar naar de aarde terug te voeren, waar zij door kennis en kracht in staat gesteld werd naar de waardigheid van hero of halfgod te streven. Volgens Empedokles vestigden de zielen, die uit het rijk van de zaligen verbannen waren, zich ook in plantenlichamen. Plato beweerde dat de zielen vóór haar komst op aarde reeds in andere lichamen bestaan hebben en bij haar tweede komst zulke lichamen hebben gekozen, die liet meest in overeenstemming waren met haar eigenschappen, dat bijv. die van dwingelanden verhuisden naar de lichamen van wolven en gieren en die van ijverige personen naar de lichamen van bijen en mieren. Volgens hem keerden de zielen eerst na een tijdperk van 10 000 jaar terug in den schoot der Godheid. Deze leer werd nog meer uitgewerkt door de Neoplatonici; Plotinus onderscheidde een verhuizing der zielen uit onzichtbare, aetherische lichamen naar aardsche en een van aardsche lichamen naar andere aardsche. Aristoteles verwierp de zielsverhuizing, omdat deze uitgaat van de onderstelling, dat de ziel in verschillende lichamen even goed kan huis-

Sluiten