Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

November van dat jaar weder door Staatsche troepen onder Hohenlohe bezet. Aan de beroeringen van 1672—1747 en 1795 nam Zierikzee levendig deel. Den 318ten Juli 1809 werd het door de Engelschen bezet.

Zierikzee, Jóhannes Aegidius of Gillis, ook *el De Leeuw, De Levres of Leves geheeten, een Nederlandseh geleerde, werd geboren te Zierikzee in het laatst der 12de eeuw. Omtrent zijn afkomst en opleiding is niets bekend. Men vindt van hem vermeld, dat hij zeer ervaren was in alle goddelijke en menschelijke wetenschappen en den waarschijnlijk te Parijs behaalden titel van doctor in de rechten voerde. Hij voegde zich bij de Praemonstratenser monnikenorde en bekleedde in 1214 de waardigheid van plebaan in Zuid-Brabant en wel te St. Peters Leeuw (vandaar zijn bijnaam), de hoofdplaats van 33 parochiën. Met de manschappen van Ornandus of Druandus ondernam hij een tocht naar het Heilige Land. Zij begaven zich over land naar Italië, waar de pauselijke legaat Petrus Pelagius Galvani, bisschop van Alba en kardinaal, zich aan hun hoofd plaatste. In den zomer van 1218 zeilden zij uit van Brindisi en kwamen tegen het einde van September bij Damiate in het leger der Kruisvaarders. Aegidius onderscheidde zich bij het veroveren dier stad. Vermoedelijk behoorde hij tot hen, die onder het oog der Saraceenen de schipbrug bestormden en wegvoerden, zoodat hij den eerenaam ontving van Miles albus of le Blanc Gens cTarme (de Witte Strijder). Van hem wordt vermeld, dat de laatste poort bij zijn komst, als door een goddelijken wenk, van zelf openging. Vier dagen na deze gebeurtenis stelde Aegidius daarvan een verhaal op in den vorm van een brief. Waarschijnlijk keerde hij met den kardinaal Pelagius naar Europa terug en werd door den paus met buitengewone onderscheiding ontvangen. Vervolgens vestigde hij zich te Gent, waar hij optrad tegen de woekeraars. In 1226 werd hij gekozen tot abt van het klooster der Praemonstratensen te Middelburg; vier jaren daarna werd hij abt van het hoofdconvent dier Orde te Vicogne in Henegouwen, waar hij den 268ten Maart 1237 overleed.

Ziesenis, Johann Georg, een Deensch-Hollandsch portretschilder, werd geboren te Kopenhagen in 1716 en overleed te Hannover in 1777. Hij was een leerling van zijn vader, doch onderging tevens den invloed van den portretschilder Rigaud. In 1768 kwam hij naar Holland en werd in datzelfde jaar lid van de schildersconfrèrerie te 's Gravenhage. Hij schilderde verscheidene malen de portretten van prins Willem V en diens familie. Later woonde hij achtereenvolgens te Hannover, Brunswijk en Berlijn. Werken van zijn hand bevinden zich hier te lande o. a. irt het Rijksmuseum te Amsterdam en ! in het Mauritshuis te 's Gravenhage. Zijn doch- 1 ter, Margaretha Ziesenis, was een bekende minia- i tuur-schilderes. ]

Ziesenis, Antimie, een Nederlandsch beeldhou- i wer, geboren te Hannover in 1731, ontving eerst 1 onderwijs van zijn oom Johann Georg Ziesenis, hof- 1 schilder bij den keurvorst van Hannover, en ont- . ving zijn verdere opleiding te Hamburg en te Am- s sterdam. In laatstgenoemde stad vervaardigde hij ; de marmeren beelden van de Vrijheid en van den ( Vrede voor het huis van den raadpensionaris Stein. 1 Vervolgens werd hij tot beeldhouwer van destadAmsterdam, van de Admiraliteit en van de Oost-Indi- s

- sche Compagnie benoemd. Als zoodanig vervaardigde hij de sieraden aan de Muiderpoort aldaar en de beelden van Thalia en Melpomene in den nieuwen schouwburg. Verder ontwierp hij het gedenkteeken voor admiraal Bentinck in de Nieuwe Kerk, het frontispies van het Werkhuis en van het Maagdenhuis en de groep boven het Oudemannenhuis. Voor de St. Pieterskerk te Leiden beitelde hij het borstbeeld van Camper en voor de kerk te Barneveld het gedenkteeken van baron van Essen. Hii overleed in 1801.

Zieten, Hans Joachim von, een Pruisisch generaal der cavalerie, geboren den 14d0" Mei 1699 op Wustrau in het graafschap Ruppin, trad in 1714 in krijgsdienst maar nam in 1724 zijn ontslag en begaf zich naar zijn vaderlijk landgoed. In 1726 echter trad hij als eerste-luitenant weder bij een regiment dragonders in dienst, maar kwam in botsing met zijn ritmeester, zoodat hij tot verlies van zijn rang en tot een jaar vestingarrest veroordeeld werd. Door tusschenkomst van eenige generaals evenwel werd hij in 1730 in zijn rang hersteld en in 1731 tot ritmeester bevorderd. In 1735 nam hij onder de bevelen van den Oostenrijkschen generaal Von Baronay deel aan den veldtocht in den Poolschen Successieoorlog en werd in Januari 1736 tot majoor benoemd. In 1741 werd hij luitenant-kolonel bij het regiment huzaren der garde, maakte zich verdienstelijk door de reorganisatie der Pruisische ruiterij en verbeterde inzonderheid de lichte cavalerie. In 1742 deed hij met zijn regiment strooptochten tot aan Stockerau, niet ver van Weenen en dekte later den aftocht van den prins Dietrich von Ankalt naar Opper-Silezië. In het begin van den tweeden Silezischen Oorlog (1744) viel hij aan het hoofd der voorhoede in Bohemen, trok voorwaarts tot voorbij Budweis, waarna hij tot generaal-majoor bevorderd werd, en volvoerde den 208'8» Mei 1745 den beroemden marsch door het geheele vijandelijke leger in Opper-Silezië om de bevelen van den koning naar Jagerndorf aan markgraaf Karei over te brengen. Ook bij Hohenfriedberg, alsmede bij KatholischHennersdorf, waar hij gewond werd, streed hij met roem. Vooral onderscheidde hij zich in den Zevenjarigen Oorlog. Hij nam deel aan de gevechten bij Reichenberg (April 1757) en aan den slag bij Praag, voerde bij Kolin bevel over den linker vleugel, bleef daarna bij den prins von Bevern, die belast was met de verdediging van de Lausitz en van Silezië, en bracht na diens gevangenneming het overschot van het leger over Glogau naar Liegnitz bij den koning, waarna hij zich den 5d'-n December bij Leuthen onderscheidde. In den slag bij Liegnitz (15 Augustus 1760) noodzaakte hij het Oostenrijksche hoofdleger gedurende den strijd in het kamp te blijven, zoodat hij op het slagveld tot generaal der cavalerie werd benoemd. In den slag bij Torgau (3 November 1760) leidde de door hem bevolen bestorming tot de overwinning. Na het einde van den oor-' log woonde hij bij afwisseling te Wustrau en te Berlijn. Hij was de populairste van de veldheeren van Frederiic den Groote, bij wien hij zeer in de gunst stond. In 1794 werd door Schadow een marmeren standbeeld van hem vervaardigd; een bronzen copie daarvan werd in 1862 op den Wilhelmsplatz te Berlijn geplaatst.

Zieten, Hans Ernst Karl, graaf von, een afstammeling van het geslacht Dechtow, geboren den

Sluiten