Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23 Lebensversicherangsgesellschaften" (1883) samenstelde. Hij overleed den 22sien Februari 1892 te Berlijn.

Zilver (Argentum); atoomteeken Ag, atoomgewicht 107,93, komt in gedegen toestand, in regulaire kristallen, in platen, in stukken ter grootte van een noot en tusschen andere ertsen in, dikwijls verontreinigd met goud, koper, antimonium enz., verder ook in ertsgangen, vooral in vereeniging met loodglans en kalkspaat, voor in het Ertsgebergte, den Hartz en het Zwarte Woud, in Spanje, hetAltaïgebergte, Mexico, Chili, Peru en Californië. Verder wordt als legeering met kwikzilver, antimonium en tellurium, als zilverglans (Ag2S) met 87%, als donkerroodguldigerts (Ag3Sb S4) met 69,8%, als zilver atatimoniumglans (Ag Sb S.) met 36,75%, als lichtroodguldigerts (Ag3As S3) met 65,5%, als polybasiet met 64—72% zilver enz. aangetroffen. Bovendien treedt het op in de ertsen van andere metalen; daarbij zijn de oxyden gewoonlijk zilverarmer dan de suliieden, waarvan het zilvergehalte somtijds tot 30% stijgt. Zuiver zilver verkrijgt men door chloorzilver te smelten met koolzuur natrium of door reductie van chloorzilver door zink of ijzer. In de techniek lost men het zilver uit den handel op in geconcentreerd zwavelzuur en het gevormde sulfaat in veel warm water, waarna men door ijzer het zilver uit de oplossing neerslaat en den neerslag smelt. Bij de electrolyse gebruikt men het handelszilver als anode in een bad van zilvernitraat; op de kathode van zilverblik wordt kristallijn zilver neergeslagen. Zuiver zilver is wit, in dunne lagen blauw doorschijnend, polijstbaar, harder en vaster dan goud, minder hard dan koper en zeer rek- en pletbaar. Het heeft een soortelijk gewicht van 10,424 (in gegoten toestand), smelt bij 962° C. en kookt bij 2050°, is bij witgloeüiitte vluchtig onder vorming van een blauwen damp, lost in gesmolten toestand zuurstof uit de lucht op, die bij het stollen spattend ontwijkt en trekt zich bij het vast worden sterk samen. Zilver wordt alleen geoxydeerd in de zuurstofblaasvlam en in fijn verdeelden toestand door ozon. Het verbindt

zich rechtstreeks met chloor, broom en jood, verandert van kleur door zwavel en phosforwaterstof, smelt samen met zwavel, lost op in geconcentreerd zwavelzuur onder ontwikkeling van zwaveligzuur en in matig geconcentreerd salpeterzuur onder uitstooting van roode dampen. Door verdund zwavel- en salpeterzuur wordt het niet aangetast. Met chroomzuur vormthetrood chroomzuur zilver.

terwijl het door onderscheidene metalen en reductiemiddelen, ook door organische stoffen (vooral aldehyden) uit zijn oplossingen neergeslagen wordt, waarbij dendritisch afgescheiden zilver den zilverboom (arbor Diaruie) vormt. Zilver is eenwaardig ; men kent een oxyduul (Ag40 ?),een oxied (Ag20) en een superoxied (AgO). Zijn oplossingen hebben een bijtende, vergiftige werking; onder deze is echter salpeterzuur zilver alleen van belang. Men gebruikt zuiver zilver nagenoeg alleen voor het vervaardigen van scheikundige toestellen; verder voor zilverlegeeringen voor munten, sieraden enz. Uit deze bereidt men ook de talrijke praeparaten voor de photografie en de geneeskunde, voor het verzilveren van metaal en glas, voor glas-en porseleinverven enz. Fijn ver¬

deeld, zoogenaamd moleculair zilver, vindt toepassing bij de synthese van organische praeparaten, colloïdaal zilver, verkregen door diolyse van een oplossing van den neerslag, gevormd wanneer citroenzuur zilver in een waterstofstroom verhit wordt tot 100° C., bij ontsteking van de lymphva-

FIG. 1.

Duitsche drijfhaard (lengtedoorsnede).

ten, der conjunctiva, bij maag-, darm- en zenuwaandoeningen, bij paardentyphus enz.

De metallurgie van het zilver uit de ertsen heeft, al naar den aard van de ertsen en van de hulpmiddelen, welke ter beschikking staan, op den drogen of den natten weg plaats. Bij het winnen van zilver op den drogen weg wordt dit in lood verzameld (verlooden). Rijke zilverert en bijv. met meer

Fig. 2.

Duitsche drijfhaard.

dan 10% zilver, welke zwavel, antimonium of arsenicum bevatten, voegt men het eenvoudigst bij het afdrijven van werklood aan het bad toe. De genoemde bijmengselen worden dan geoxvdeerd of door het lood opgelost, terwijl het vrijgemaakte zilver door een ander gedeelte van het lood opgenomen wordt en als het afdrijven geëindigd is, achterblijft. Middelrijke zilverertsen versmelt men met loodertsen of loodhoudende produkten in schachtovens tot werklood. Arme zilverertsen worden somtijds in schachtof vlamovens met zwavelkies of vloeimiddelen versmolten (ruioarbeid), waarbij het zwavelijzer van het_zwavelkies het zilver uit het erts opneemt en

Sluiten