Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoogenaamden ruwsleen vormt, terwijl de aard- en oxiedachtige bijmengselen met de vloeimiddelen een slak vormen. De steen wordt in vloeibaren toestand met vloeibaar lood omgeroerd of met loodhoudende ertsen en produkten in schachtovens versmolten, waarbij zich zilver en lood vereenigen. Zilverhoudende loodertsen worden versmolten, waarbij het zilver zich eveneens in het werklood verzamelt.

De ontzilvering van het werklood heeft plaats volgens het afdrijfproces. Daarbij wordt het zilverhoudende lood aan een oxydeerende smelting onderworpen, waarbij het lood in loodoxied overgaat en metalliek zilver achterblijft. Dit heeft plaats in drijfhaarden of ovens. De Duitsche drijfhaard (fig. 1 en 2) bestaat uit een vlamoven, waarvan de ronde, ketelvormig verdiepte smelthaard A met mergel mm gevoerd is. Hij is gedekt door een gewelf B en een beweegbaren, ijzeren koepel C, inwendig met vuurvaste klei bekleed en aan een kraan G G beweegbaar opgehangen. F is de vuurhaard; daartegenover ligt de werkopening, a a zijn de openingen voor de vormen van een blaaswerk. De Engelsche drijfhaard (fig. 3) heeft een vuurhaard A, door de vuurbrug B van den smelthaard D gescheiden.

blijft. OnTzilververlies tegen te gaan, bedekt men de smelttest a met een moffel, een gewelf van vuurvaste klei b, waarna zij in den oven e, die van de trekkanalen c d i voorzien is, wordt geplaatst. Dan wordt het blikzilver in de smelttest 1 gedaan, de oven met steenkool gevuld en gesloten en het zilver gesmolten. Daarna wordt de ovemnonding herhaaldelijk geopend om lucht voor de oxydatie te doen toetreden, en wordt het zilver omgeroerd, welke bewerking wordt voortgezet, tot het zilver fijn is, d. i. volledig spiegelt.

Het afdrijven van zeer zilverarm werklood op deze wijze gaat met groote verliezen gepaard. Men tracht daarom eerst de concentratie van het zilver te vergrooten, zoodat slechts geringe hoeveelheden zilverrijk lood behoeven afgedreven te worden. Dit heeft plaats op tweeërlei wijze; door Pattinsonneeren en door Parkeseeren. Het eerste heeft plaats in den Pattinsonneerketel. Het werklood wordt gesmolten en daarna door het afsluiten van den vuurhaard, het opspuiten van water, het afstooten van de korsten enz. afgekoeld. Daarbij vormen zich op de oppervlakte loodkristallen,welkemet een doorboorden lepel voor 3/i of '/s worden afgeschept. Het

Fig. 4.

Engelsche drijfhaard.

De verbrandingsprodukten en de looddampen worden langs C afgevoerd. Door E wordt de vorm van een blaaswerk gestoken, terwijl F F de werkopeningen zijn. Men smelt nu het werklood op den smelthaard, verwijdert de onzuiverheden, welke zich afscheiden en voert blaaslucht toe, zoodra zich heldergekleurd loodoxied vormt. Dit smelt en vloeit, voortgedreven door de blaaslucht, uit een opening weg. Het verdwijnen van de laatste sporen lood, wordt het blikken genoemd en de achterblijvende, brooze zilverkoek blikzilver. Hij bevat nog 5—10% onzuiverheden, voornamelijk lood, en wordt daarom nogmaals aan een oxydeerende smelting, het fijnbranden of raffineeren onderworpen. Bij den Engelschen drijfhaard kan dit rechtstreeks op den werkhaard gebeuren, als deze beweegbaar is. Anders en ook bij den Duitschen drijfhaard maakt men gebruik van een moffeloven (fig. 4). Deze bestaat uit een kleinen haard h, in welks verdieping men een smelttest 1 plaatst, bestaande uit een ijzeren schaal b, welke gevoerd is met een laag mergel of asch a (fig. 5). Deze poreuze laag absorbeert de geoxydeerde en gesmolten vreemde bestanddeelen zoodat fijn zilver, brandzilver geheeten, achter

Moffeloven.

zilver verzamelt zich grootendeels in de achterblijvende, kleine hoeveelheid gesmolten lood, terwijl de kristallen armer aan zilver zijn. Door toevoeging van een nieuwe hoeveelheid werklood, worden zij zóó dikwijls omgekristalliseerd, dat men ten slotte arm- of handelsbod met 0,001% zilver verkrijgt. Het zilver wordt door herhaalde kristallisatie in een reeks ketels omgezet in rijklood met ongeveer 2% zilver, dat wordt afgedreven.Het Par- Fig. 5.

keseeren is een verbetering van dit procédé, in 1860 door Parkes uitgevoerd. Het wijkt van

het Pattinsoneeren Smelttest.

in hoofdzaak hierdoor af, dat bij het smelten aan het werklood 1 —2% zink wordt toegevoegd.

Bij koperhoudende en samengestelde ertsen wordt de bereiding van zilver door verlooden steeds ingewikkelder en kostbaarder, terwijl deverliezengrooter zijn en de ertsen niet uitgeput worden. Deze moeilijkheden worden door de zilverbereiding op den

Sluiten