Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid en werd in 1805 predikant te Auerbach aan de Bergstrasze, waar hij een aanvang maakte met zijn uitgave van Euripides (4 dln., 1808—1815). In 1809 werd hij diaconus te Groszgerau, in 1814 hofdiaconus te Darmstadt en in 1816 hofprediker. Hij stichtte de: „Allgemeine Kirchenzeitung" en de „Allgemeine Schulzeitung". Zijn leerredenen werden van 1815—1821 in 8 deelen uitgegeven. Hij overleed den 24sten junj 1832. i.-

Zimmermann, Karl, een Duitsch godgeleerde, een broeder van den voorgaande, geboren te Darmstadt den 23sten Augustus 1803, werd in 1842 hofprediker en in 1847 prelaat. Hij is vooral bekend geworden door de stichting der Gustaaf-Adolf-Vereeniging, door het voortzetten van de beide door zijn broeder geredigeerde bladen en het stichten van het: „Theologisches Literaturblattf'.Zijn werken hebben meestal betrekking op de geschiedenis en de organisatie van de Gustaaf-Adolf-Vereeniging, zooals het tijdschrift „Boten des Gustav-Adolf-Vereins" (sedert 1843, met Groszinann), „Der Gustav Adolf-Verein" (lae druk, 1867) en „Die Bauten des Gustav-AdolfVereins in Bild und Geschichte" (1859—1876). Hij ontving in 1872 zijn emeritaat en overleed den 12ien Juni 1877.

Zimmermann, Klemens von, een Duitsch historie- en portretschilder, geboren te Düsseldorf den 8sten November 1789, bezocht sedert 1804 de Academie van Schoone Kunsten in zijn geboortestad, sedert 1808 die te München, werd in 1815 directeur van de school voor Schoone Kunsten te Augsburg, volbracht in het daarop volgende jaar een reis naar Italië, zag zich in 1825 benoemd tot gewoon hoogleeraar aan de Académie te München. Hij nam deel aan de vervaardiging van de verschillende kunstwerken, die op bevel van LodewijJc I tot stand kwamen. Hij schilderde o. a. fresko's in de arkaden van den Hofgarten en voor het koninklijk paleis te München, een aantal schilderijen in olieverf en portretten. Van 1846—1865 was hij directeur van het Koninklijk Centraal Museum. Hij overleed te München den 24eten Januari 1869.

Zimmermann, Johann August, een Oostenrijksch opvoedkundige, geboren te Bilin in Duitsch Bohemen den 14den Mei 1793, studeerde te Praag in de rechten onder Bolzano, aan wiens vrijzinnige riching hij getrouw bleef, en in de wijsbegeerte en werd in 1817 leeraar aan het gymnasium te Iglau en in 1822 hoogleeraar aan dat te Praag. Sedert 1844 was hij als lid van de commissie van onderwijs en later bij het ministerie van Onderwijs te Weenen ijverig werkzaam voor de hervorming der gymnasia. In 1848 ontving hij wegens ongesteldheid pensioen en vestigde zich in de nabijheid van Praag, waar hij zich bezig hield met de studie der wijsbegeerte en den 25s,en April 1869 overleed. Hij heeft onderscheiden werken in het licht gegeven en onder het conservatief beheer van Metternich veel gedaan voor de ontwikkeling van het onderwijs in Oostenrijk.

Zimmermann, Robert von, een zoon van den voorgaande, geboren te Praag den 2den November 1824, studeerde aldaar onder leiding van zijn vader, van Bolzano en van Exner, legde zich vervolgens te Weenen toe op de wijsbegeerte, de wiskunde en de natuurwetenschappen, werd in 1847 assistent bij de sterrenwacht, in 1849 privaatdocent in de wijsbegeerte aan de universiteit te Weenen, in 1850 buitengewoon hoogleeraar aan de universiteit te Olmütz

en in 1852 gewoon hoogleeraar in de wijsbegeerte te Praag en in 1861 te Weenen, waar hij in 1869 tot lid van de Keizerlijke Academie van Wetenschappen werd benoemd. In 1895 nam hij ontslag als hoogleeraar, in 1896 werd hij in den adelstand verheven. Hij overleed te Praag den l8»™ September 1898. Als wijsgeer behoorde hij tot de school van Herbart. Van zijn geschriften noemen wij: „Leibniz und Herbart" (bekroond, 1849), „Das Rechtsprinzip bei Leibniz" (1852), „Philosophische Propadeutik" (1852, 3de druk, 1867), „über das Tragische und die Tragödie" (1856), „Aesthetik (2 dln., 1858 —1865) en „Antroposophie" (1882). Ook verzamelde hij een aantal philosofische opstellen in zijn „Studiën und Kritiken zur Philosophie und Aesthetik" (2 dln., 1870). Sedert 1870 leverde hij jaarlijks een verslag over de Duitsche letterkunde voor het „Athenaeum" te Londen.

Zimmermann, Franz Joseph, een Duitsch wijsgeer, geboren den 21s"="> Maart 1795 te Wendlingen bij Freiburg in de Breisgau, was de zoon van een landbouwer, bepaalde zich tot zijn twintigste jaar bij den veldarbeid, doch studeerde in zijn vrije uren, zoodat hij in 1814 te Freiburg de academische lessen in de godgeleerdheid en wijsbegeerte kon bijwonen. Hij begaf zich in 1820 naar Hofwyl, waar Fellenberg hem tot leeraar benoemde, vestigde zich in 1823 als privaatdocent in de wijsbegeerte te Freiburg en werd er in 1828 buitengewoon hoogleeraar. In zijn „Untersuchungen über Raum und Zeit"(1824) verdedigde hij het gevoelen, dat ruimte en tijd niet enkel, zooals.Kant beweert, vormen van ons denkvermogen zijn, maar ook buiten het subject bestaan. Zijn metaphysica verscheen onder den titel: „Lehre über Einheit, Vielheit und Einzelnheit" (1826), zijn ,,Denklehre"(1832) bevat tevens een schets der psychologie. Daarenboven schreef hij: „Einzigmöglicher Beweis für die Wahrheit der menschlichen Freiheit" (1833). In 1832 werd hij met de redactie van het volksblad: „Der echte Schwarzwalder" belast. Hij overleed den 23sten September 1833.

Zimmermann, Balthasar Friedrich Wilhelm, een Duitsch dichter en geschiedschrijver, geboren te Stuttgart den 2dcn Januari 1807,bezocht het gymnasium aldaar, vervolgens het seminarium te Blaubeuren en de theologische school te Tübingen en woonde van 1830 tot 1840 als privaatdocent te Stuttgart. In 1831 gaf hij een bundel „Gedichte" (3de druk, 1854) in het licht, in 1832 het treurspel „Masaniello", in 1834 „Amors und Satyrs" (een verzameling novellen) en de novelle: „Fürstenliebe", vervolgens „Geschichte Württembergs" (2 dln., 1835—1837), „Befreiungskampfe der Deutschen gegen Napoleon" (1836, 3lle druk, 1859), „Prinz Eugen von Savoyen und seine Zeit" (1837) en „Geschichte der Hohenstaufen" (1838, 2de druk, 1865). In 1840 werd hij diaconus te Dettingen en Urach en schreef aldaar: „Geschichte des groszen Bauernkriegs" (3 dln., 1840—1844, 2de druk, 1856). In 1847 keerde hij als hoogleeraar in de geschiedenis en Duitsche letterkunde aan de polytechnische school naar Stuttgart terug, zag zich in 1848 afgevaardigd naar de Nationale Vergadering, waar hij zich voegde bij de linkerzijde, en woonde, nadat hij in 1850 door een ministerieel besluit van zijn betrekking aan de polytechnische school was ontheven, als letterkundige te Stuttgart, totdat hij in 1854 predikant werd te Leonbronn en in 1864 te Schnait-

Sluiten