Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beeld van de vocale muziek ontwikkeld. De geschiktheid van het menschelijk stemapparaat voor het zingen is bij de verschillende individuen zeer ongelijk. Behalve de hoedanigheid van het stemmateriaal komt de natuurlijke aanleg voor het zingen of het muzikaal gevoel in aanmerking. Aanleg en stem beide kunnen door oefening ontwikkeld worden. In de Oudheid reeds werd de zangkunst beoefend. In de Middeleeuwen waren het eerst de troubadours en minnezangers, vervolgens vooral de Kerk, die de zangkunst tot ontwikkeling brachten. Naar men wil richtte paus Hilarius reeds in de 5de eeuw een zangschool op, in het laatst van de 8ste eeuw ontstonden te St. Gallen en te Metz dergelijke scholen. Later was aan elke kerk, die een eigen zangkoor had, ook een zangschool verbonden. Allerlei ingewikkelde versieringen en het gecompliceerd mensuraal notenschrift stelden hooge eischen aan de zangers. De kerkkoren bestonden voor een groot deel uit castraten. Met den bloei van de opera in de 17de eeuw ontstond een nieuwe periode in de zangkunst.

Tot de meest bekende oude werken over de zangkunst behooren: „Regole, passagi de musica" (1594) van Bovicelli, „Pratica di musica" (1596) van Zacconi, „Nuove musiche" (1602) van Caccini, „Arie divoto"(1608) van Durante, „AnleitungzumSingen" (1642) van Ilerbst, „Der rechte Weg zur Singkunst" (1660) van Crüger en „Opinioni de' cantori" (1723) van Tosi. Beroemde zangscholen waren die van Pistocchi te Bologna, van Porpora, die op verschillende plaatsen werkte, van Feo te Napels, van Peli te Milaan, van Tosi te Londen en van Mancini te Weenen. Tegenwoordig wordt de zangkunst op talrijke conservatoria beoefend.

Het strottenhoofd van vele vogels (zie aldaar) is zoodanig ingericht, dat zij ook muzikale tonen kunnen voortbrengen.

Zingende booglamp is een booglamp, welke door een gelijkstroom en een wisselstroom gevoed wordt. Deze laatste wordt geleverd door een mikrofooninstallatie. Wordt in het mikrofoon gesproken of gezongen, dan wekken de luchttrillingen correspondeerende temperatuurschommelingen op en daardoor periodieke uitzettingen van de lucht, welke door den lichtboog wordt verhit en die leiden tot toonvorming. Aldus bereikt men, dat het gesproken of gezongen woord door de booglamp wordt herhaald. De toonhoogte is natuurlijk dezelfde als die van het station van afzending, dat eventueel op grooten afstand kan zijn gevestigd.

Zingende vlammen. Zie Harmonica, Chemische.

Zingerle, Pius, eigenlijk Jakob, een Oostenrijksch geleerde, geboren te Meran den 17den Maart 1801, trad 1819 in het Benedictijnerklooster Mariënberg in de Vintschgau, studeerde te Innsbruck in de theologie, werd in 1828 leeraar aan het gymnasium te Meran en in 1850 directeur van deze inrichting. In 1862 werd hij hoogleeraar in het Arabisch en Syrisch aan de universiteit te Rome en later ook scriptor van de bibliotheek van het Vatikaan. Van 1867—1871 was hij weder directeur van het gymnasium te Meran, daarop trok hij zich in het klooster Mariënberg terug en overleed als prior van deze inrichting den 10den Januari 1881. Van zijn werken noemen wij: „Ephrams ausgewahlte Schriften, aus dem Griechischen und Svrischen übersetzt"

(6 dln., 1830—1837, 2^ druk, 1845—1846), „Echte Akten der heiligen Martyrer des Morgenlandes" (uit het Syrisch, 2 dln., 1836), „Das syrische Festbrevier" (2 dln., 1846), „Sechs Homilien des heiligen Jakob von Sarug" (1867) en „Ausgewahlte Schriften des heiligen Ephram aus dem Syrischen I und Griechischen übersetzt" (3 dln., 1870—1876).

Zingerle, Ignaz Vincenz, een neef van den voorgaande, geboren te Meran den 6den Juni 1825, studeerde te Trente in de wijsbegeerte, trad vervolgens in het Benedictijnerklooster Mariënberg in de I Vintschgau, doch keerde weldra terug in de wereld. I Hij werd in 1848 leeraar aan het gymnasium te j Innsbruck en in 1859 hoogleeraar in de Duitsche , taal en letterkunde aan de universiteit aldaar. Hij j overleed te Innsbruck den 17den September 1892. | Van zijn geschriften vermelden wij: „Frühlingszeitlose, Zeitgedichte" (1848), „Von den Alpen, Zeitgedichte" (1&50), „Gedichte" (1853), „Die Müllerin, Dorfgeschichte" (1853), „Der Baner von Longval" (1874), „Sagen aus Tirol" (1850), „Tirols Anteil an der deutschen Nationalliteratur im Mittelalter" (1851), „Tirol, Natur, Geschichte und Sage im Spie; gel deutscher Dichtung"(1852), „Kinder- und Hausmarchen aus Tirol" (1852), „Kinder- und Hausmarchen aus Siiddeutschland" (1854), „Die OswaldLegende und ihre Beziehung zur deutschen Mythologie" (1855), „Die Personen-und Taufnamen Tirols" (1855), „Barbara Pachlerin, die Sarnthaler Hexe"(1858), — „Sagen, Marchen und Gebrauche aus Tirol" (1859), „Johannissegen und Gertrudenminne" (1862), „Die Sagen von Margaretha, der Maultache" (1863), „Die deutschen Sprichwörter im Mittelalter" (1864), „Die Alliteration bei mittelhochdeutschen Dichtern" (1864), „Findlinge'' (2 dln., 1867—1870), „Das deutsche Kinderspiel im Mittelalter" (1868), „Lusernisches Wörterbuch" (1869), „Das Urbarbuch des Klosters zu Sonnenburg" (1868), „Oswald von Wolkenstein" (1870), „Hans Vintler" (1871) en „Schildereien aus Tirol" (1877) (nieuwe reeks, 1888). Verder gaf hij: „König Laurin" (1850), „Von den heyligen drei Künigen" (1855) en „Pluemen der Tugend" van Vintler uit (1874). Met Inama-Sternegg bezorgde hij het lsle, 2de en 3de deel, met Egger het 4de deel van de uitgave van de „Tirolische Weistümer" (1875—1891).

Zingg, Adrian, een Duitsch graveur, geboren te St. Gallen den 248ten April 1734, oefende zich te Parijs onder leiding van Wille in de graveerkunst. In 1766 werd hij leeraar aan de Academie van schoone kunsten te Dresden. Hij overleed aldaar den 26sten Mei 1816. Hij was zeer bevriend met Chodowiecki, van wiens gravures hij een kostbare verzameling aanlegde, die later in het bezit kwam van het kabinet voor kopergravures te Dresden. Aldaar vindt men ook de beste werken van Zingg. Zijn landschappen, die zich inzonderheid door zuiverheid van teekening onderscheiden, worden het meest geroemd. Een volledige verzameling van zijn werken verscheen van 1804—1806.

Zingiber. Zie Gember.

Zingiberaceeën is de naam van eene éenzaadlobbige plantenfamilie uit de orde der Scitamineeën. Zij omvat kruiden met een meestal kruipenden of knolligen wortelstok, enkel voorzien van wortelbladeren of ook van afwisselende stengelbladeren, die een scheedevormigen steel en een gaafrandige bladschijf hebben, van wier dikke midden-

Sluiten