Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

talen slaat het uit hun oplossingen neer. Zink is tweewaardig. Met zuurstof vormt het zinkoxied (Zn O) en verschillende superoxieden.

Bij de metallurgie van het zink gaat men hoofdzakelijk uit van zinkspaat, galmei en zinkblende. In de Vereenigde Staten van N. Amerika verwerkt men ook roodzinkerts, dat daar met frankliniet voorkomt. Ook worden zinkhoudende afvaJprodukten van het hoogovenproces gebruikt. De zinkbe-

Fig. 2.

Stortoven.

reiding heeft vrijwel zonder uitzondering op den drogen weg plaats. De electrolytische bereiding heeft geen ingang gevonden. Alleen te Northwich in Engeland wordt zij toepast (■procédé van Höpjner). Men gebruikt cylindrische kathoden, welke in een chloorzinkbad rondwentelen en waarop het neergeslagen zink wordt ineen eewalst.

De zinkbereiding op den drogen weg berust op de | den afgeleid in looden kamers en gebruikt voor de

ken. Zoodra de onderste ertslagen door de gloeiing haar water en koolzuur hebben verloren, worden zij door de openingen c uitgehaald, wat door den kegel b vergemakkelijkt wordt. Voor het branden van poedervormig galmei gebruikt men thans ook vlamovens. Het roosten van zinkblende biedt velerlei moeilijkheden. Een gedeelte wordt n. 1. in zinksulfaat omgezet, dat eerst bij hoogere temperatuur en dan nog slechts gedeeltelijk ontleedt, terwijl de rest verloren gaat. Na eenige andere procédé's te hebben moeten opgeven, maakte men gebruik van den stortoven van Hasenclever en Helbig (fig. 2), waarin het erts, dat in den trechter a gestort wordt, door het kanaal d naar beneden valt. Dit wordt verwarmd door de verbrandingsgassen, welke door het daaronder gelegen kanaal, naar den schoorsteen p trekken,'(waardoor reeds in d een roosting plaats vindt. Het daarbij gevormde zwaveligzuur wordt afgevoerd langs zijdelingsche openingen. Van uit d komt- het erts in den moffeloven c, welke verwarmd wordt door de verbrandingsprodukten van den vuurhaard g. In dezen moffel wordthet door werkopeningen (in de fig. niet zichtbaar) van buitenaf langzamerhand vooruitgeschoven, zoodat het door de opening o op den vuurhaard valt. Hier wordt het naar de zijde van de vuurbrug geschoven, naar plaatsen met toenemende temperatuur, en eindelijk uitgehaald. De verbrandingsgassen worden geleverd door den generatoroven k, door n gevoed, terwijl door m lucht toetreedt. Bij deze wijze van roosting gaat ongeveer 5% zwavel over in zwaveligzuur, dat ontwijkt door den schoorsteen p. Om dit verlies te voorkomen construeerde Hasenclever een roostoven (fig. 3) bestaande uit een aantal boven elkander gelegen moffels M, die door verticale kanalen met elkander verbonden zijn en door de vlammen van een roosterhaard verwarmd worden. Het erts wordt door A in den bovensten moffel gestort en van tijd tot tijd voorwaarts geschoven. Het valt dan in den tweeden moffel enz. De roostgassen treden uit door de openingen a en verzamelen zich in S, waaruit zij wor-

Roostoven van Hasenclever.

reductie van zinkoxyd door koolstof of kooloxied. Dit zinkoxied is reeds in de ertsen voorhanden (roodzinkerts), of het wordt door verhitting (galmei) of roosting (zinkblende) gevormd. Het branden van galmei heeft plaats in brandovens (fig. 1), welke op kalkovens gelijken. Het in stukken gebroken materiaal wordt, afgewisseld door lagen brandstof, in de kernschacht a, omgeven door het metselwerk e, gestort en de brandstof door de openingen c, welke men van uit de gewelven d kan bereiken, aangesto-

zwavelzuurbereiding. Per 24 uur levert

deze oven 3000—3500 kg. gerooste zinkblende, waarvan het zwavelgehalte nog maar 0,35—1,1% bedraagt.

Het aldus gevormde zinkoxied wordt door sterk verhitten met koolstof gereduceerd en de ontwikkelde zinkdampen verdicht. Daarbij onderscheidt men in beginsel twee verschillende methoden. De Belgische methode kenmerkt zich door het gebruik van kleine, ronde, aan de ééne zijde gesloten destilleervaten, welke in verschillende rijen boven elkander liggen. De Belgische zink¬

oven (fig. 4) bevat in ieder van de door een tusschenwand a gescheiden afdeelingen 46 van deze vaten b. Zij zijn ongeveer 1,1 m. lang en 15 cm. dik. Het gewelf f staat met elk der afdeelingen door een spleet t in verbinding, waardoor de verbrandingsprodukten van den haard g de destilleervaten kunnen verwarmen. Zij ontwijken door den schoorsteen o; k is de aschkolk; door de gewelven 1 kan zij worden bereikt. Men vult de destilleervaten met een mengsel van geroost zinkerts en 40—60 % magere steenkool en fijne cokes, voorziet hen van een koelbuis q van

Sluiten