Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zicht van de ■productie voor de jaren 1908—1910 geeft onderstaande tabel:

Productie in Engelsche tonnen

LAND. —

1910. 1909. 1908.

België 169 860 164 470 162 420

Nederland 20 645 19 240 16 985

Duitschland 86120 79125 75185

Groot-Brittannië.. 62 085 58 415 53 615

Frankrijk en Spanje 57 210 55 235 54 940

Silezië 138 040 137 490 137 975

Oostenrijk en Italië 13 095 12 440 12 180

Polen 8 000* 7 820 8 700

555 055 534 235 522 300

Australië 500 — 1070

Ver. Staten 236 680 226 660 186 950

Wereldproductie .. 802 235 770 895 710 320

*) geraamd.

Messing was reeds in de latere Oudheid bekend. Het mineraal, dat het koper bij het samensmelten geel kleurde, werd cadmia, door de alchimisten ook tutia genaamd. Het woord zink, waarschijnlijk voor galmei gebruikt, wordt eerst in de 15de eeuw bij B. Valentius aangetroffen. Het schijnt, dat zink als metaal eerst bekend werd aan Paracelsus. Uit de ertsen van den Rammelsberg werd het reeds in 1574 door Lazarus Ercker bereid; in 1725 spreekt Henkei van de bereiding van zink uit galmei. Sedert het midden van de 16ae eeuw kwam het onder den naam toetenag uit China in Europa. In 1730 nam de Engelsche zinkindustrie een aanvang, in 1799 volgden Karinthië en Silezië. In 1805 werd de Belgische methode door den abt Dony van Luik uitgevonden. Amerika kreeg omstreeks 1850 zijn eerste zinksmelterij in Wisconsin. Nederland bezit er een te Budel met ongeveer 750 arbeiders. Veel droeg tot het gebruik van het zink de ontdekking van Sylvester en Hobson in 1805 bij, dat dit, tot 100° C. verwarmd, zijn broosheid verliest.

Zinkblende. Zie Blende.

Zinkboter (Butyrum Zinci). Zie Chloorzink.

Zinkdruk. Zie Zincografie.

Zinkeisen, Johann Wilhelm, een Duitsch geschiedschrijver, geboren den llden April 1803 te Altenburg, studeerde te Jena en te Göttingen eerst in de theologie en vervolgens in de geschiedenis, was eenigen tijd werkzaam als leeraar aan het instituut van Blochman te Dresden, waar hij ook voorlezingen hield over Grieksche geschiedenis, en woonde vervolgens tot 1831 te München. Hij vestigde zich vervolgens als privaatdocent te Leipzig, vertrok in 1833 naar Parijs en werd in 1840 op aanbeveling van Alexander von Humboldt benoemd tot hoofdredacteur der „Preuszische Staatszeitung" te Berlijn, die in 1848 in den „Preuszischen Staatsanzeiger" herschapen werd, waaraan hij tot 1851 verbonden bleef. Na dien tijd leefde hij ambteloos te Berlijn en overleed aldaar den 5den Januari 1863. Van zijn geschriften noemen wij: „Geschichte Griechenlands"(dl. 1,1832, dl. 3 en 4, 1840), „Geschichte des osmanischen

Reichs in Europa" (7 dln., 1840—1863), „Der Jakobinerklub" (1852—1853) en „Drei Denkschriften über die orientalische Frage von Leo X., Franz I. voti Frankreich und Kaiser Maximilian I." (1854).

Zinken, Georg Heinrich, een Duitsch volkshuishoudkundige, geboren te Altenrode bij Naumburg in 1692, vertrok in krijgsdienst naar Brabant, maar keerde in 1709 terug, studeerde eerst te Jena in de theologie, vervolgens te Erfurt en Halle in de rechten en werd benoemd tot fiscaal der krijgs- en domeinkamer te Halle, tot „Kriminalrat" in het hertogdom Maagdenburg en in 1731 tot hof-, regeerings- en consistoriaalraad te Weimar. Hier werd hij tengevolge van verschillende intrigues tot een vijfjarige gevangenisstraf veroordeeld. Na zijn invrqheidsstelling was hij eenigen tijd als privaatdocent werkzaam te Leipzig en werd in 1745 hoogleeraar in de rechten en volkshuishoudkunde te Helmstadt, waar hij in 1769 overleed. Hij schreef: „Grundrisz einer Einleitung zu den Kameralwissenschaften" (1742), „Allgemeines ökonomisches Lexikon"(1744), „Sammlung von wirtschaftlichen Polizei-, Kameralund Finanzsachen"(16 dln. 1744—1767),„Deutsches Realmanufaktur- und Handwerkslexikon"(1745, onvoltooid), ,,Kameralistenbibliothek"(1751) en „A«fangsgründe der Kameralwissenschaften" (1755).

Zinkg-ref of Zincgref, Julius Wilhelm, een Duitsch dichter, geboren te Heidelberg den 3den Juni 1591, studeerde adaar in de rechten en reisde van 1611—1616 in Zwitserland, Frankrijk, Engeland en de Nederlanden. Gedurende den Dertigjarigen Oorlog moest hij als auditeur-generaal bij de Heidelbergsche bezetting na de verovering dier stad (1623) de vlucht nemen en verloor daardoor zijn geheele vermogen. Hij begaf zich naar Frankfort en vandaar naar Straatsburg en werd later landschrijver, eerst te Kreuznach en vervolgens te Alzey. Na den slag bij Nördlingen nam hij de wijk naar St.'Goar, waar hij den 12den November 1635 overleed. Zijn belangrijkst geschrift is een verzameling van Duitsche spreekwoorden onder den titel: „Der Teutschen scharpfsinnige kluge Sprüch, Apophthegmata gênant" (2 dln., 1626—1631), waaruit Guttenstein in 1835 eene uitgebreide bloemlezing bezorgde. Van zijn gedichten wordt „Soldatenlob" (1632), een navolging van Tyrtaeos, het meest geroemd. In de door hem bezorgde uitgave van de „Deutsche Poëmata" van Opilz (1624) nam hij een aanhangsel „Auserlesene Gedichte deutscher Poeten" (opnieuw uitgegeven in 1879 door Halier) met gedichten van Melissus, Weckherlin, zich zelf en anderen op.

Zinkhydrox ed of zinkoxiedhydraat, Zn(OII),, wordt uit zinkzouten door kaliloog neergeslagen, kristalliseert uit de oplossing van zinkoxied in kaliloog in gesloten vaten, is kleurloos en onoplosbaar in water. Het lost gemakkelijk op in de meeste zure», waarmede het zinkzouten vormt, maar ook in de hydroxieden der alkali- en aardalkalimetalen, daar het zich tegenover deze als een zuur gedraagt en zinkzure zouten (zinkaten) vormt. Bij verhitting wordt het gemakkelijk ontleed in zinkoxied en water.

Zinklegeeringen zijn mengsels van zink met andere metalen. De belangrijkste zijn die met koper (messing, tombak), met koper en tin (brons) en met koper en nikkel (nieuwzilver). Bovendien is zink een bestanddeel van talrijke andere legeeringen. Zoo dient een legeering van aluminium, koper en zink als soldeer voor aluminium, een van antimo-

Sluiten