Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nium, koper en zink als antifrietiemetaal en legeeringen van zink, lood, koper en antimonium voor het gieten van kartetskogels en drijfschijven.

Zinkoxied (ZnO) komt in de natuur voor als roodzinkerts en met ijzeroxied verbonden als franküniet. Het ontstaat bij het verhitten van zink aan de lucht en bij het verhitten van koolzuur zink of van zinkhydroxied. Het wordt daarom o.a. bij het hoogovenproces en bij de bereiding van zink uit zijn ertsen gevormd. Men verkrijgt het als een wollig poeder (bloem, van zink, Flores zinci, Lana philosophica) door zink in een schuin in een blaasoven liggende Hessische kroes zóó sterk te verhitten, dat het ontvlamt en verbrandt. Op den natten weg bereidt men het door zink in verdund zwavelzuur op te lossen en deze oplossing te gieten in een overmaat van kokende natriumcarbonaat-oplossing.Zinkoxied is een kleurloos of zwak geel poeder zonder reuk of smaak en met een soortelijk gewicht van 5,42. Het wordt bij verwarming citroengeel en schittert voor de blaaspijp met een verblindend licht. Het smelt bij witgloeihitte, lost zeer weinig op in water, maar gemakkelijk in zuren, ook in kali, ammoniak en ammoniumcarbonaat, neemt uit de lucht koolzuur op en wordt bij hoogere temperaturen door koolstof en kooloxied, niet echter door waterstof gereduceerd. Het wordt als geneesmiddel gebruikt bij vallende ziekte, stuipen en St. Vitusdans en uitwendig als poeder, zalf (zinkzalf) en pleister bij zweren, eczeem enz.

Ter bereiding van zinkoxied (zinkwit) in het groot verhit men zink in retorten of kroezen van vuurvaste klei, oxydeert den uittredenden zinkdamp door een verhitten luchtstroom en leidt het gevormde zinkoxied in condensatiekamers. Gerooste zinkertsen, in hoofdzaak zinkoxied, reduceert men in een cokesvuur. Zoodra zich zinkdampen ontwikkelen, voert men onder het rooster een luchtstroom aan, waarna het gevormde zinkoxied in condensatiekamers geleid wordt. Men gebruikt zinkwit als witte dekverf. Het dekt minder goed dan loodwit, waartegenover staat, dat 4 dln. zinkwit een even groot oppervlak dekken als 6 deelen loodwit. Bovendien zijn de bereiding en verwerking van zinkwit voor arbeiders minder schadelijk dan die van loodwit en wordt het door de inwerking van zwavelwaterstof niet zwart. Verder vindt zinkwit toepassing voor de bereiding van zinkzouten, voor het ornamenteeren van aardewerk onder glazuur, voor de bereiding van kitten, glas, kunstmatig meerschuim en verschillende verven, tot het polijsten van optische instrumenten enz. In 1783 toonde Guyton de Morveau de voordeelen van zinkwit boven loodwit aan en in 1786 werd het door Courlois in het groot bereid. Beteekenis echter verkreeg het eerst in 1844, toen Leclaire te Parijs het tegen een meer billijken prijs leerde bereiden.

Zinkspaat (Smithsoniet, edele galmei), een mineraal, bestaande uit zinkcarbonaat (ZnCo3), met 52 % zink, meestal verontreinigd met eenig ijzer, manganium, magnesium en calcium of ook lood of cadmium, kristalliseert rhomboëdrisch, maar komt meer voor in losse stukken en in niervormige of stalaktische aggregaten, in korsten en in dichte, aardachtige massa's. Het is kleurloos, lichtgeel, groen of bruin doorschijnend en parelmoer- of glasglanzend. Zijn hardheid bedraagt 5, zijn soortelijk gewicht 4,1—4,5. Zinkspaat is een zeer belangrijk zinkerts. Het komt, vooral in nesten en lagen, voor in kalk- en

dolomietgesteenten, bij Aken, bij Tarnowitz in Silezië, op Sardinië, bij Santander in Spanje, bij Matlok in Engeland en aan den Boven-Mississippi.

Zink stof (Zinkmeel), zeer fijn verdeeld zink, wordt, vermengd met 8—10 % zinkoxied en eenigszins verontreinigd met cadmium, arsenicum, lood enz. als nevenprodukt bij de zinkbereiding verkregen. Het vormt een grauw poeder, dat aan vochtige lucht ontbrandt en vindt toepassing als reductiemiddel, bijv. bij de indigo ververij, als enlevage bij den anilinekleurendruk en in het scheikundig laboratorium; verder als verf, ter bereiding van waterstof (met verdund zuur) enz. In hoofdzaak echter wordt het tot zink verwerkt.

Zinkstuk is de naam voor een lichaam van rijshout, aan zee, zeeboesems en beneden-rivieren veelvuldig in gebruik om op den bodem of onderzeesche oevers een vasten gelijkmatigen grondslag te vormen, tot het opwerken van nieuwe onderzeesche oevers, o.a. bij afschuivingen en dijkvallen, tot het opzetten der taluds van afsluitdammen, hoofden enz. De zinkstokken zijn 40 cm. tot 1 m. dik en van 16 a 20 tot 150 a 180 m. lang, soms ook breeder, maar dan minder lang. Zij worden aan den oever gereed gemaakt, naar de plaats van hunne bestemming gevaren, hier verankerd en vervolgens door ze gelijkmatig met steenen te bezwaren tot zinken gebracht, vandaar de naam.

Zinkstukken zijn groote, matrasvormige fascines (zie aldaar).

Zinksulfaat. Zie Zinkvitriool.

Zinksulfi«d (Zwavelzink, ZnS), komt in de natuur voor als zinkblende. Het ontstaat bij het verhitten van zinkoxied met zwavel of door dubbele ontleding van normale zinkzouten met zwavelalkaliën. Het is geelachtigwit en moeilijk smeltbaar; door verhitten aan de lucht gaat het over in zinkoxied en zinksulfaat, terwijl het door de meeste zuren wordt ontleed. Natuurlijk zinksulfied is slechts zelden phosforesceerend. Goed phosforesceerende praeparaten levert echter kunstmatig bereid zinksulfied. Sidot verkreeg phosforesceerend zinksulfied door gekristalliseerd zink in een waterstofstroom te verhitten (Sidotblende). Het vindt toepassing ter bestrijking van schermen, waarmede radiumstralen herkend worden, waartoe men er een weinig kopersulfied aan toevoegt.

Zinksuperoxied (Zinkperoxieó) ontstaat door zinkhydroxied, Zn(OII)2,met waterstofsuperoxied te behandelen. Men verkrijgt aldus een mengsel van verschillende superoxieden, welke niet alle even bestendig zijn. Zinksuperoxied vindt toepassing als antiseptisch desinfecteerend middel. Het ectogan en zinkperhydrol uit den handel zijn mengsels van zinkoxied en zinksuperoxied.

Zinkvitriool (Zinksulfaat, Zwavelzuur zink, Witte vitriool, ZnS04) komt in de natuur als ontledingsprodukt van zinkblende voor in mijnen en opgelost in mijnwateren. Men bereidt het door zink op te lossen in verdund zwavelzuur en de oplossing in te dampen. Als nevenprodukt wordt het verkregen bij de bereiding van waterstof uit zink en zwavelzuur. Voor de bereiding in het groot roost men zinkblende of blendehoudende lood- en koperertsen, loogt het residu uit met water en verdund zwavelzuur en brengt de oplossing tot kristallisatie, Zinkvitriool vormt kleurlooze kristallen met 7 moleculen kristalwater; zijn soortelijk gewicht bedraagt 1,95.

Sluiten