Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bordpapier, touwslagerijen, ijzergieterijen, ververijen, tichelwerken enz. Ook bezit de plaats 2 inrichtingen voor glasschilderwerk, een electrische centrale en een inrichting voor luchtdruk en photografie. Zittau is de hoofdzetel van den damasten linnenhandel van Saksen; ook de handel in garen, drogerijen en chemicaliën is er zeer levendig. In den omtrek vindt men onderscheiden bruinkolenmijnen, in de dorpen in de omgeving is veel nijverheid. In het Lausitzer Gebergte treft men fraaie landschappen aan.

Het oude Zittau (Sitowir of Korenstadt) is door de Wenden gesticht en werd, nadat het vroeger door koninklijke burchtgraven was beheerd, in 1255 door koning Ottokar 11 van Bohemen tot een stad verheven, in 1287 door Wenzel 11 met vele voorrechten begiftigd en kwam in 1320 door ruiling aan hertog Heinrich von Jauer. Na den dood van koning Johann in 1346 keerde het echter door ruiling tot Bohemen terug. In dezen tijd trad Zittau toe tot het Verbond der Zes steden, werd in den Hussietenoorlog door de Hussieten, die aldaar in 1427 de overwinning behaalden op een Duitsch leger, meermalen ingenomen en sloot zich in 1521 bij de Hervorming aan. In 1620 werd de stad door keurvorst Johann Georg I veroverd en kwam vervolgens aan Keur-Saksen. In 1639 werd zij door de Zweden onder Torstenson belegerd en verwoest en vervolgens bij afwisseling door de Zweden, de keizerlijke troepen en de Saksers in bezit genomen. In den Zevenjarigen Oorlog werd zij in Juli 1757 door de Oostenrijkers belegerd en bijna geheel verbrand.

Zittel, Iiarl, een Duitsch godgeleerde, geboren te Schmieheim in het Badensche Oberland den 218ten Juni 1802,werd in 1823 proponent, was eerst werkzaam als hulpprediker bij verschillende gemeenten, daarna als leeraar aan het paedagogium te Lörrach (1829—1832) en werd in 1834 benoemd tot predikant te Bahlingen. In 1842 werd hij lid van de Tweede Kamer in Baden. Zijn voorstel tot het verleenen van godsdienstvrijheid aan de Duitsch-Katholieken baarde groot opzien en was oorzaak van een ontbinding der Kamer in 1846. In 1848 werd hij gekozen in het distrikt Karlsruhe tot lid van de Nationale Vergadering te Frankfort. Ook had hij in 1850 zitting in het Parlement te Erfurt, maar na dien tijd trok hij zich uit het staatkundig leven terug. Hij was in 1849 als predikant beroepen te Heidelberg, werd in 1867 deken aldaar en overleed den 28sten Augustus 1871. In zijn geschrift: „Der Bekenntnisstreit der protestantischen Kirche"(1852) verdedigde hij tegen Hundeshagen de gewetensvrijheid der Geünieerde Kerk in Baden. Verder werkte hij er toe mede het met Rome gesloten concordaat op den achtergrond te schuiven en nam deel aan de vaststelling van een vrijzinnig kerkelijk reglement (1861), ook bevorderde hij in 1863 de stichting van den Protestantenbond. Van 1857—1864 gaf hij het tijdschrift „Der Sonntagabend" uit, de artikelen, die hij daarin geschreven had, werden door zijn zoon onder denzelfden titel verzameld uitgegeven (2 dln., 1893).

Zittel, Emil, een zoon van den voorgaande, een vrijzinnig Protestantsch godgeleerde, geboren te Lörrach in Baden den 144en Augustus 1831, trad in 1855 in den geestelijken stand, werd in 1862 predikant te Karlsruhe en in 1874 deken. Als zoodanig en als lid van de Algemeene Synode in Baden

trachtte hij het liberale karakter der Protestantsche Kerk in Baden te handhaven en te ontwikkelen. De universiteit te Heidelberg benoemde hem in 1886 eershalve tot doctor. Behalve vele leerredenen gaf hij uit: „Entstehung der Bibel" (1872,5ae druk, 1911), „Bibelkunde" (1873; llde druk, 1893), „Familienbibel des Neuen Testaments" (1881—1885), „Luther von 1483 bis 1517"(1883), „Wie Jesus von Nazareth der Messias oder Christus wurde" (1893) en „Die Schriften des Neuen Testaments dein deutschen Volke übersezt und erklart" (1894). Verder schreef hij nog: „Ringsum die Jungfrau" (1874).

Zittel, Iiarl Alfred von, een Duitsch aardrijkskundige, een broeder van den voorgaande, geboren den 258ten September 1839 te Bahlingen bij Freiburg in de Breisgau, bezocht de universiteit te Heidelberg en studeerde vervolgens een jaar te Parijs. Daarna werd hij geplaatst bij de rijksinrichting voor geologie te Weenen, hield zich bezig met de opmeting van Dalmatië en werd vervolgens assistent bij het keizerlijk kabinet van delfstoffen te Weenen. In 1863 vestigde hij zich als privaatdocent aan de universiteit aldaar, werd in hetzelfde jaar hoogleeraar in de mineralogie te Karlsruhe en was sedert 1866 werkzaam als gewoon hoogleeraar in de palaeontologie aan de hoogeschool en als directeur van het palaeontologisch museum te München. Hij schreef een verslag van eene reis naar Zweden en Noorwegen (1860) en bewerkte de beschrijving van den tocht der „Novara" Hij vergezelde in 1873 en 1874 de expeditie van Rohljs naar de Libysche Woestijn. In 1899 werd hij president van de academie van wetenschappen" te München en algemeen conservator van de wetenschappelijke verzamelingen vanBeieren. Hij overleed te München den 5aen Januari 1904. Hij schreef: „Paleontologische Studiën über die Grenzschichten der Jura- und der Kreideformation"(in de „Paleontologische Mitteilungen aus dem Museum des königlich bayrischen Staats", dl. 2,1868—1873), „Geologische Beobachtungen aus den Zentralapenninen"(in Beneckes „Geognostisch-palaontologische Beitrage", 1869), „Aus der Urzeit"(2<i® druk, 1875), „Briefe aus der Libyschen Wüste" (1875), „Handbuch der Palaontologie" (dl. 1—3 „Palaozoologie", 1876—1893, dl. 4 van Schimper en Schenk, „Palaophytologie", 1890), verschillende werken over den bouw en de classificatie van de fossiele zwammen, mededeelingen over zijn reis naar Zweden en Noorwegen, „Beitrage zur Geologie und Palaontologie der Lybischen Wüste"(in het reisverslag van Rohlf, 1883, 2ae deel van Lorioï), „Die Sahara" (1883), „Grundzüge der Palaontologie. Palaozoologie"(1895, 2de druk, 1903) en „Geschichte der Geologie und Palaontologie bis Ende des 19 Jahrhunderts"(1899). Voor het reisverslag van Novara bewerkte hij de fossiele weekdieren en echinodermen van NieuwZeeland (1863). Verder nam hij deel aan de geologische onderzoekingen van Baden (1867); gaf het tijdschrift „Palaographica" (tot 1885 met Dunker, later alleen) uit en bewerkte met Haushofer „Paleontologische Wandtafeln und geologische Landschaften"^ kaarten, 1879—1901, de kaarten 74— 83 van Pompeckj, 1908).

Zittmann's decoctum (Decoctum Zittmanni) is een in verschillende sterktegraden bereid afkooksel van sassaparillewortels, dat bovendien kleine hoeveelheden suiker, aluin,.kalomel, vermiljoen, venkel- en anijszaad, sennebladeren en zoethout be-

Sluiten