Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tisch stadhuis met een toren van 80 m. hoogte, overblijfselen van de burcht van de Moravische markgraven, thans als kazerne ingericht, met een Romaansche kapel uit de 12de eeuw, fraaie wandelingen op de plaats van de vroegere vestingwerken en gedenkteekenen voor den schrijver Karl Post (iCharles Sealsfield) en kolonel Kopal. Verder vindt men er eenige rechtbanken, een Duitsch gymnasium,eenDuitsche hoogere burgerschool,een vakschool voor aardewerkindustrie, een landbouw- en wijnbouwschool, een lyceum voor meisjes, een museum, een schouwburg, een rijkswerkinrichting, een ziekenhuis enz. Het aantai inwoners bedraagt (1900) 16 239, voor het grootste deel Duitschers. Ten Z. van de stad ligt Klosterbruch (Czechisch Louka), ten W. van de stad Pöltenberg (Czechisch Hradiste).

Znaim was vroeger de zetel van een hertogdom onder de opperheerschappij van Bohemen. In 1145 werd het verwoest. Koning Ottokar bevorderde de vestiging van Duitsche kolonisten en stichtte in 1226 het hedendaagsche Znaim. Hier sloot den 18den Augustus 1308 Frederik van Oostenrijk vrede met Hendrik van Karinthië, waarbij hij afstand deed van zijn rechten op Bohemen. Den 18den December 1393 verbonden zich aldaar Sigitmund van Hongarije, Jobst van Moravië en Albrecht 111 van Oostenrijk tegen koning Wenzel. In 1632 werd er het verdrag tusschen keizer Ferdinand 11 en Wallenstein gesloten. De stad werd in 1742 door Frederik den Groote bezet en was van 1805—1806 in handen van de Franschen. Verder werd zij bekend door het gevecht van den llden ju]j jgo9 tusschen de achterhoede van het leger van aarts-hertog Karei en de Franschen onder Marmont en Massma, alsmede door den daags daarna gesloten wapenstilstand, waardoor de. Vrede van Weenen voorbereid werd.

Zo, Jean Baptiste Achille, een Fransch schilder, geboren in 1826 te Bayonne, ontving zijn opleiding van Couture en was een vriend van Puvis de Chavannes en Manet. Tot 1871 vertoefde hij te Parijs, in laatstgenoemd jaar werd hij directeur van de school voor schoone kunsten te Bayonne, waar hij het stedelijk museum oprichtte. In 1899 werd hij directeur van de school voor schoone kunsten te Bordeaux. Hij overleed aldaar in 1901. Van zijn werken noemen wij: „Tribunal des rois maures", „Plaza de 1' Ayuntamiento", „L'Aveugle de Tolède", „Le Rêve du crouant", „Les Bohémiens en voyage" en „La Posada San Rafaël." Ook schilderde hij een aantal portretten.

Zo, Henri, een Fransch schilder, een zoon van den voorgaande, geboren te Bayonne in 1873, ontving zijn eerste opleiding van zijn vader en bezocht vervolgens het atelier Bonnat te Parijs. Evenals zijn vader, kiest hij bij voorkeur tafereelen uit Spanje, waarvan hij het typisch Spaansche goed weet weer te geven. Van zijn werken noemen wij: „La Mort d'un torero" (1895), „Bravo toro" (1896), „Avant la corrida" (1897), „Sol y sombro" (1898), „Un Incident"(1899), ,,Alostoros"(1900), ,,Övation"(1901), „L'Idole" (1902), „La Mascarade" (1903), „Aguadora", „Attendant 1'heure" (1904), „La Familie espagnole", „Le Marché de 1'Encarnacion", „Tueur de taureaux" (1906) en „La Chanteuse de Zarzuelas" (1906).

Zoarces viviparus (Lomp- of puitaal). Zie Slijmvisschen (Blenniidae).

Zoarieten, de leden van een communistische

secte in N. Amerika, ontleenen hun naam aan Zoar, ten Z. van Cleveland (Ohio) gelegen, waar in 1817 J. M. Baumler (Bimeler), geboortig uit Württemberg, een kolonie stichtte. De zuiver communistische inrichting werd tot 1898 gehandhaafd; toen werden de eigendommen verdeeld. Tot 1830 was het huwelijk verboden; daarna werden de kinderen gedurende den tijd van 3 jaar gemeenschappelijk opgevoed. Deze gemeenschap, welke zich op landbouw en nijverheid toelegt, vertoont veel overeenkomst met die der Harmonieten, gesticht door Rapp (zie aldaar).

Zobeir is de naam van een Arabier, die in 647 onder Abdallah in Egypte strijd voerde tegen den Griekschen veldheer Gregorius. Door zijn moed en .door zijn dapperheid behaalden zijn landgenooten een glansrijke overwinning op de Grieken. Maar nog meer onderscheidde hij zich vervolgens door zijn bescheidenheid en zedelijke grootheid, daar hij de dochter van Gregorius, die hem als loon voor zijn heldendaden werd aangeboden, niet wilde aannemen en ook bij khalif Osman, tot wien hij was afgevaardigd om tijding te brengen van de overwinning, deze alleen toekende aan den veldheer Abdallah, hoewel zij toch hoofdzakelijk aan het beleid van Zobeir was toe te schrijven. Later werd hij afvallig van khalif AU, leed tegen dezen de nederlaag en sneuvelde in den strijd. Niettemin stortte de khalif tranen, toen hem de tijding van den dood van Zobeir werd overgebracht.

Zobeltitz, Hans von, een Duitsch schrijver, geboren den 9den September 1853 te Spiegelberg, nam deel aan den Fransch-Duitschen Oorlog van 1870—1871, was later leeraar in de taktiek aan de hoogere krijgsschool te Potsdam, en nam in 1890 ontslag, om zich geheel aan de beoefening der letterkunde te kunnen wijden. Onder den schuilnaam Hans von Spielberg was hij reeds sedert 1878 als schrijver werkzaam geweest. Zijn naam vestigde hij vooral door een reeks romans, waarvan wij noemen: „Die ewige Braut" (1894), „Senior und Junior" (1896), „Die Generalsgöhre" (1897), „Ein bedeutender Mann" (1900), „Talmi" (1901), „Der goldene Kafig"(1904), „Der Bildhauer"(1904) en „Ihrlaszt den Armen schuldig werden" (1907). Ook schreef hij werkjes voor de jeugd en is hij de uitgever van „Daheim" en van „Velhagen und Klasings Monatshefte."

Zobeltitz, Fedor von, een Duitsch schrijver, een broeder van den voorgaande, geboren den 5den October 1857 te Spiegelberg, nam in 1874 dienst bij de cavalerie, redigeerde de „Neue militarische Blatter" en nam later ontslag om zich aan het beheer van zijn bezittingen en aan de beoefening der letterkunde te wijden. Van zijn talrijke romans noemen wij: „Das Nessusgewand" (2 dln., 1888), „Die Johanniter"(1894), „Das zweite Geschlecht"(3 dln., 1896), „Die Armutsprobe" (1898), „Der gemordete Wald" (1898), „Der Herr Intendant" (1900), „Albine" (1902), „Dem Wahren, Edlen, Schonen" (1905), „Die arme Prinzessin" (1905), „Eine Welle von drüben" (1906), „Höhenluft" (1906) en „Das Gasthaus zur Ehe"(1907). Verder schreef hij eenige treurspelen als: „Ohne Gelaut" (1896), „Das eigene Blut" (1896), „Neue Waffen" (1899) en „Die eiserne Krone" (1904). Bovendien geeft hij sedert 1897 de „Zeitschrift für Bücherfreunde", sedert 1904 de „Neudrucke litterarhistorischer Seltenheiten", als-

Sluiten