Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mede de „Sammlung illustrierter Monographien" (1901 en later) uit, welke hij zelf opende met het deel „Der Wein". Voor het monografische werk „Land und Leute" schreef hij „Berlin und die Marck Brandenburg" (1902).

Zobten, in den volksmond Zoten, een gebergte in het Pruisische distrikt Breslau, verheft zich in de vlakte tusschen de Wiestritz en de Lohe en is in het zuiden gescheiden van het Eulengebergte door een breed dal, waardoor de Peile stroomt. De eigenlijke Zobtenberg, 16 km.ten oosten van Schweinitz, is 718 m. hoog, kegelvormig en dicht met bosch begroeid. Hij daalt aan drie zijden af in de vlakte heeft twee toppen en verschaft een ruim uitzicht op de Sudeten. De naam wordt afgeleid van het Slavisch Goro Sobotka (Heilige Berg). In de li"6 eeuw verhief zich op den hoogsten top een burcht, die in 1108 ingericht werd tot een klooster voor Augustijner monniken. Later werd dit gebouw veranderd in een roofslot; in 1471 werd het verwoest. In 1702 bouwde men op die plek een kapél, waarin telken iare op de dag van Maria Boodschap de mis gelezen werd. De bergmassa's, die den Zobten omgeven, zijn in het N. het laagst en in het Z. O. het hoogst, waar de Geiersberg zich tot een hoogte van 573 m. verheft. Een vrij lange bergketen strekt zich van laatstgenoemden berg westwaarts uit en eindigt in den Költenschen Berg (466 m.). De basis van het geheele gebergte is fijnkorrelig graniet en hier en daar gneis, daarop verrijzen in den eigenlijken Zobtenberg serpentijn en groensteen.

Zocher, Johan David, een Nederlandsch architect, geboren in 1790 te Haarlem, was aldaar gevestigd en maakte zich vooral bekend als tuin- en parkarchitect door het ontwerpen van sierlijke parken bij steden en buitenplaatsen. Van hem zijn o. a. te Haarlem de aanleg van een deel van den Hout, de Bolwerken en het Kenaupark, alsmede de veranderingen aan den Hertenkamp. Te Delft herinnert de Zocherweg in het bekende Agneta-park bij de Gist- en Spiritusfabriek aan zijn werken. Ook in de N. lijke provinciën van ons land was hij werkzaam. Hij was ridder in de orde van den Nederlandschen Leeuw en overleed den 8sten Juli 1870 te Haarlem.

Zöckler, Otto, een Duitsch godgeleerde, geboren te Grünberg in Hessen den 27Blen Mei 1833, studeerde te Gieszen, Erlangen en Berlijn, vestigde zich in 1867 te Gieszen als privaatdocent, werd in 1863 buitengewoon hoogleeraar in de theologie en in 1866 gewoon hoogleeraar te Greifswald. In 1885 werd hij „Konsistorialrat". Hij behoorde tot de confessioneele partij in de Luthersche Kerk in Pruisen. Van zijn geschriften vermelden wij: „De vi ac notione vocabuli èAnig in Novo Testament»" (1857), ,,Theologia naralis: Entwurf einer systematischen Naturtheologie vom offenbarungsglaubigen Standpunkte" (dl. 1, 1860), „Kritische Geschichte der Askese" (2ae druk onder den titel „Askese und Mönchtum", 2 dln., 1897), „Hieonymus, sein Leben und Wirken" (1865), „Kommentare zur Chronik, Hiob, den Sprüchen Salomonis, dem Prediker Salomo, zum Hohen Lied und zu Daniël" (in „Langes Bibelwerk", 1866—1872), „Die Urgeschichte der Erde und des Menschen" (1868), „Das Kreuz Christi" (1875), „Geschichte der Beziehungen zwischen Theologie und Naturwissenschaft" (2 dln., 1877—1879), „Die Lehre vom Urstand des

Menschen" (1879), „Gottes Zeugen im Reich der Natur" (2 dln., 1881), „Biblische und Kirchenhistorische Studiën" (1893), „Paulus, der Apostel Jesu Christi" (1889), „Die Absichtslenkung oder der Zweck heiligt das Mittel" (1902) en „Die Tugendlehre des Christentums geschichtlich dargestellt" (1904). Met een aantal geestverwanten gaf hij het „Handbuch der theologischen Wissenschaften in enzyklopadischer Darstellung" uit (3de druk, 4 dln., 1889—1890), verder een „Kurzgefaszter Kommentar zu den heiligen Schriften Alten und Neuen Testaments" (2de druk, 1892—1896), redigeerde van 1882—1892 de „Evangelische Kirchenzeitung" en sedert 1866 het maandschrift „Der Beweis des Glaubens." Hij overleed te Greifswald den 9aen Februari 1906.

Zodiak. Zie Dierenriem.

Zodiakaal) icht is de naam van een mat, kegelvormig lichtschijnsel, dat na zonsondergang aan den W. lijken en vóór zonsopgang aan den O. lijken hemel, tot op 100° van de zon verwijderd, zichtbaar is en waarvan de as ongeveer samenvalt met den zonneweg. Op onze middelbare breedte kan het zodiakaallicht het best in Februari aan den avondhemel en in September aan den morgenhemel worden waargenomen, omdat dan de ecliptica bij den zonsop- en ondergang den horizon onder den grootsten hoek (63V2° op 50° Breedte) snijdt,waardoor de lichtkegel zich vrij steil en tot op groote hoogte boven den horizon verheft. Toch is het ook dan nog slechts op die plaatsen waarneembaar, waar geen aardsch licht den matten schijn van het zodiakaallicht overstraalt, d. i. buiten bewoonde plaatsen. In de Tropen, waar zijn as een grooteren hoek met den horizon insluit, overtreft het zodiakaallicht de meest lichte plaatsen van den melkweg in helderheid. Hier vertoont het zich als een helder, kegelvormig lichtschijnsel, dat door een minder licht omhulsel is omgeven. Een hellende, mat lichtende pyramide verheft zich op de plaats, waar de zon is ondergegaan en heeft hier haar grootste breedte en helderheid; haar begrenzing is geheel verdoezeld. Afnemend in breedte en helderheid strekt zij zich uit door de sterrenbeelden van de Visschen, denWalvisch en den Ram, totdat de top zich verliest in de streek van de Plejaden en de Hyaden. Dikwijls echter loopt zij door langs den ganschen dierenriem tot aan den O. lijken hemel, waar zij weder een pyramidalen vorm aanneemt, zoodat zij alsdan een zodiakaalring vormt, zooals het eerst door Humboldt werd waargenomen. Op het punt van den dierenriem, dat tegenover het zodiakaallicht aan de andere zijde van de zon is gelegen, vertoont zich weder een maximum van helderheid, de door Brorsen in 1854 voor het eerst waargenomen tegenschijn.

Het zodiakaallicht werd in het Oosten reeds vroeg waargenomen en als „valsche morgenschemering" aangeduid. Ook in het W. werd het door Tycho Brahé, Rothman en anderen herhaaldelijk gezien, maar eerst door Childrey (1861) en vooral door D. Cassini (1865) uitvoerig beschreven. De laatste meende er een sterk afgeplatte zonneatmosfeer in te zien, waarvan Laplace echter de onmogelijkheid aantoonde. De spektroskoop, alsmede de polarikoop hebben aangetoond, dat het zodiakaallicht zonlicht is, door vaste lichamen teruggekaatst. Jones beschouwde het als een ring van kleine lichaam-

Sluiten