Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Papilionaeeae) behoort en in het zuiden van ons werelddeel groeit. Zij onderscheidt zich door een rechten, gladden stengel, die 1 tot l1/^ m. hoog wordt. De bladeren zijn geelachtig groen en oneven gevind, en de blaadjes, 11 tot 13 in getal, ovaal, éenigszins ingedrukt en kleverig aan de benedenzijde. De bloemen, totgesteelde, aarvormige trossen vereenigd, zijn blauw- of purperachtig van kleur en de trossen korter dan de bladeren. De kelk is naakt, buisvormig, tweeslippig, de bloemkroon vlindervormig, de kiel gespleten en de stijl draadvormig. De peulen zijn glad, onbehaard, drie- of vierzadig en tweekleppig. Van deze plant gebruikt men in de geneeskunde den kruipenden wortelstok onder den naam van zoethout. Het heeft den vorm van lange ronde stukken ter dikte van omstreeks een vinger. Van buiten is het grijsachtig bruin en van biimen geel van kleur; de reuk is aardachtig en de smaak zeer zoet. Men schrijft dezen zoeten smaak toe aan de daarin aanwezige glycyrhizine, een glucoside. Het bekende drop (succus liquiritiae) wordt uit zoethout bereid.

Zoetwater noemt men, in tegenstelling tot het zouthoudende water van zeeën, zoute meren en bronnen, het zuivere bronwater, alsmede de beken, kanalen, rivieren, vijvers, nieren enz., welke er door worden gevoed. Kenmerkend is niet zoozeer de volledige afwezigheid van zout, als wel het uiterst geringe gehalte aan zouten, met name aan keukenzout. Rijnwater bijvoorbeeld bevat slechts 0,0014% chloornatrium.

Zoetwaterfauna heet de dierenwereld van het zoete water. In overeenstemming met de betrekkelijk geringe oppervlakte, die de zoetwaterbekkens beslaan, is de zoetwaterfauna, vergeleken bij de zeefauna, arm aan soorten en individuen. Van de dieren, welke uitsluitend in het water leven, zijn in de zoetwaterfauna vertegenwoordigd: alle amphibiën gedurende het larvestadium, visschen, een aantal soorten van slakken en mossels, mosdiertjes, vele insekten, spinachtige dieren, kreeftachtige dieren, wormen, raderdiertjes, enkele soorten der hydroïdpolypen, zoetwatersponsen en vele protozoën, De zoetwaterfauna verschilt naar den aard en den omvang der wateren, waarin zij voorkomt. Ook de temperatuur speelt een belangrijke rol, terwijl er eveneens verband tusschen fauna en flora bestaat. Evenals in de zee, kan men daarom bij groote meren van een oever-, een diep- en een pelagische fauna spreken. De vertegenwoordigers van deze drie groepen vertoonen, al naar gelang de plaatsen, waar zij vertoeven, dezelfde biologische en morphologische karaktertrekken, als die van de overeenkomstige groepen van de zeefauna, bijv. een gering soortelijk gewicht en doorzichtigheid bij de pelagische organismen. Vele zoetwaterdieren hebben een bijna kosmopolitische verspreiding. Daardoor vertoont de fauna van alle afgesloten meren een opmerkelijke overeenstemming. Het zijn voornamelijk de protozoën, raderdiertjes, crustaceeën en schaaldieren, welke in alle voorkomen.Evenals de meren, bezitten ook de stroomende wateren een mikrofauna, welke vrijwel standvastig van samenstelling is en in hoofdzaak uit protozoën en wonnen bestaat. Groote rivieren bevatten doorgaans meer soorten dan kleine. Het plankton van groote en langzaam stroomende rivieren is gewoonlijk minder omvangrijk dan dat van stilstaande wateren. Zeer arm is in den regel de fauna van wate¬

ren van bijzondere samenstelling, bijv. van veenwater. Hetzelfde geldt voor zouthoudende meren, die bovendien afwijkende vormen, als Artemia salina kunnen bezitten.

De dieren der zoetwaterwereld voeden zich met waterplanten, met andere dieren of met ontledingsprodukten van organische stoffen, den zoogenaamden detritus. Verschillende van hen hebben groote beteekenis, doordat zij als vischvoedsel dienen. Jonge visch voedt zich in hoofdzak met de mikrofauna. Maar voor veel visch, vooral in stilstaande wateren, vormt het plankton gedurende haar geheele leven het hoofdvoedsel. Protozoën en raderdiertjes, maar vooral kleine kreeften komen daarvoor in aanmerking. Vandaar dat de studie van het plankton van veel belang is en in den nieuwen tijd dan ook sterk is vooruitgegaan. Met dat doel werden biologische stations opgericht, het eerst in de nabijheid van Praag in 1888. In Duitschland ontstond het eerste te Plön in 1891, dank zij de bemoeiingen van Zacharias; later volgden ook de andere landen van Europa en N.-Amerika. Een denkbeeld omtrent de beteekenis van het plankton verkrijgt men bijv. door de metingen te Plön verricht, waar ze voor het Plönermeer, dat 10 km. lang en 8 km. breed is, op één dag in het vroege voorjaar op 760 000 kg. werd berekend.

Zoetwaterflora is de algemeene naam voor de plantaardige bewoners van het zoete water van meren, vijvers enz. Men kan haar verdeelen in drijvende (plankton) en in den bodem wortelende vormen (benthos). Tot het plankton behooren in de eerste plaats de groepen van mikroskopische, lagere algen (lyanophyceeën, diatomeeën enz.). Ook splijtzwammen komen er in voor. Soms treden deze lagere organismen zoo talrijk op, dat zij de oppervlakte van stilstaande wateren kleuren, in welk geval men van waterbloesem spreekt.Bovendien bezit liet plankton van het zoete water hoogere planten: mossen, als Riccia en Salvinia, en bloeiende planten, als Aldrovandia en Lemna, in warmere landen ook Trianea bogotensis enz. De planten, welke in den bodem wortelen, kan men onderverdeelen in Nereïden, die op een steenachigen, en Limneeën, welke op lossen bodem groeien en waartoe bijv. Marsilia en Pilularia, alsmede talrijke planten, zooals Elodea, Ranunculus, Nymphaea, Nuphar enz behooren. Daartegenover staan de Helophilen of Moerasplantm, waarvan het loof boven water uitsteekt. Zij vormen uit hooge monocotyledonen (Scirpus enz.), vermengd met dicotyledonen (Rumex enz.) rietpoelen, uit biezen enz., vermengd met sommige struiken (Salix), moerasvenen en verder ook mosvenen en -toendra's.

Zo- twaterfcrmaties noemt men in de geologie de gesteenten, welke aan de overblijfselen van zoetwaterbewoners, die zij bevatten, kunnen worden herkend als afzettingen uit zoet water. Zuivere zoetwaterformaties zijn vooral kenschetsend voor jongere vormingen. Zij gaan terug tot aan de Juraformaties. Sommige aardkundigen verklaren ook de anthrakosiën uit de steenkoolformatie en het roodliggende voor zoetwatervormingen.

Zoetwatermosselen (Unionidae, Najades) is een tot de mossel (zie aldaar) behoorende uitgestrekte familie, die omstreeks 600 soorten bevat, welke over de geheele wereld, doch vooral in NoordAmerika voorkomen. Men brengt deze dieren tot 3 groepen, n.1. de riviermosselen (unio), de vijvermos-

Sluiten