Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kregen rijkskoloniën in West-Afrika. Hiertoe trok hij door het Togoland en Kameroen. Aldaar sloot hij met acht kleine koninkrijken verdragen, ontdekte daarna in het zuidelijk Kameroengebied de Batanga- of Njongrivier en keerde vervolgens naar Duitschland terug. In 1888 bezocht hij NieuwGuinea, in 1889 Oost-Afrika. Hij werd in 1890 redacteur van de „Kölnische Zeitung" en woont te Münclien. Van zijn werken noemen wij: „Rund um die Erde" (2 dln., 1881), „Der PanamakanaP' (1882), „Die Deutschen im brasilianischen Urwald" (2 dln., 1883), „Pampas und Anden" (1884), „Die deutschen Besitzungen an der westafrikanischen Küste" (4 dln., 1885) en „Deutsch-Neuguinea" (1891).

Zollikofer, Georg Joachim, een Zwitsersch kanselredenaar, geboren den 5aen Augustus 1730 te St. Gallen in Zwitserland, studeerde te Utrecht en werd in 1754 geplaatst als predikant te Mutten en in 1758 bij de Hervormde gemeente te Leipzig, waar hij den 25sten Januari 1788 overleed. Behalve leerredenen, gaf hij in het licht: „Neues Gesangbuch" (1766, 8ste druk, 1786) en „Andachtsübungen und Gebete".

Zolling-. Theophil, een Duitsch schrijver, geboren den 30sten December 1849 te Scafati bij Napels, werd in Zwitserland opgevoed, studeerde in de philosofie en geschiedenis te Weenen, Heidelberg en Berlijn, waar hij in 1875 promoveerde, en vertrok daarna als feuilletoncorrespondent van de „Neue Freie Presse" naar Parijs. In October 1881 aanvaardde hij als opvolger van Paul Lindau de redactie van de „Gegenwart". Hij overleed te Berlijn den 23sten Maart 1901. Van zijn geschriften vermelden wij: „Alexander des Groszen Feldzug in Zentralasien" (2de druk, 1875), het satirisch epos „Die Jungfrau vom Stuhl" (1876), het drama „Neue Liebe" (met Alphonse Daudet, 1877), „Reise um die Pariser Welt" (2 dln., 1881), „Heinrich von Kleist in der Schweiz" (1882, met brieven van Kleist, Herder, Wieland en anderen), „Der Klatsch" (1889), „Frau Minne" (1889), „Coulissengeister" (1891), „Die Million" (1892) en „Bismarcks Nachfolger" (1894, 5de druk 1895). Voor Kürschners „Deutsche Nationalliteratur" bezorgde hij een uitgave van de werken van Heinrich von Kleist (4 dln., 1884).

Zollinger, een Zwitsersch natuurkenner, geboren te Feuerthalen den 22sten Maart 1822, werd opgeleid voor het onderwijs en deed van 1841—1848 verschillende reizen in Nederlandsch-Indië, eerst op kosten van een te Java gevestigd Zwitsersch koopman, later met ondersteuning van de Indische regeering, die hem met een wetenschappelijke zending naar het oostelijk gedeelte van den archipel belastte. Van 1848—1854 was hij directeur van een kweekschool voor onderwijzers te Kusznach. In laatstgenoemd jaar vertrok hij als gemachtigde van een Nederlandsch-Indische cultuurmaatschappij naar Banjoewangi om aldaar een klapperonderneming aan te leggen. Op de heenreis moest hij wegens een beenbreuk geruimen tijd te Kairo vertoeven, later leed hij geruimen tijd aan de gevolgen van een armbreuk. Hij overleed te Kandangan den 19den Mei 1859. Hij schreef een aantal artikelen in verschillende tijdschriften, o.a. in het „Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië," bekend is zijn geschrift „Gedachten over de plantenphysionomie in het algemeen en over die der vegetatie van

Java in het bijzonder." Een herbarium, dat hij gedurende zijn eerste verblijf op Java naar Europa zond, werd beschreven door Moritzi, een schelpenverzameling door Morisson. In den botanischen tuin te Zurich werd een gedenkteeken voor hem opgericht.

Zöllner, Johann Friedrich, een Duitsch schrijver, geboren in 1753 in de Neumark, studeerde te Frankfort aan de Oder, werd in 1779 predikant aan de Charité, in 1782 aan de St. Maartenskerk te Berlijn, later inspecteur van het Kerkelijk distrikt Berlijn, curator van een der weeshuizen, lid van het schoolbestuur en lid van de Academie van Wetenschappen aldaar. Hij overleed te Frankfort aan de Oder in 1824. Van zijn geschriften noemen wij: „Lesebuch für alle Stande" (10 dln., 1781—1804), „Wöchentliche Unterhaltungen über die Erde und ihre Bewohner" (met J. S. Lange, 8 dln., 1784—1787), „Wöchentliche Unterhaltungen über die Charakteristik der Menschheit" (3 jaargangen, 1789—1791), „Briefe über meine Reisen durch Schlesien und Polen" (1798), „Uber Moses Mendelssohns Jerusalem" (1784), „Predigtenentwürfe" (1800—1803) en „Ideen über Nationalerziehung" (3 dln., 1804).

Zöllner, Karl Heinrich, een Duitsch componist, geboren in 1792 te Oels in Silezië, was van 1820 tot 1827 muziekonderwijzer en organist in Posen en werd later onderwijzer van de vorstin Lotpics te Warschau. Uit neiging tot een vrij en onafhankelijk leven liet hij die betrekking varen, volbracht kunstreizen door Duitschland en Nederland, verwoestte door eene ongeregelde levenswijs zijn gezondheid, begaf zich in 1832 naar Hamburg en overleed te Wandsbeck in 1836. Voor het tooneel componeerde hij de opera: „Kunst von Kaufungen" en het melodrama: „Eine Uhr." Ook schreef hij kritieken over de te Hamburg opgevoerde opera's en gegeven concerten.

Zöllner, Karl Friedrich, een Duitsch componist, geboren den 17den Maart 1800 te Mittelliausen in het land van Weimar, bezocht de Tliomasschool te Leipzig, waar hij onder leiding van Schicht zijn muzikale gaven ontwikkelde en erd in 1820 aldaar leeraar in de zangkunst. Hij overleed den 258t<"n September 1860. Hij heeft zich vooral populair gemaakt door talrijke compositiën voor een vierstemmig mannenkoor, daarenboven heeft hij onderscheiden verzamelingen van vierstemmige liederen in het licht gegeven. In 1883 richtte hij een mannenkoor op, dat den naam van „Zöllnerverein" ontving. Daarop volgden een aantal andere dergelijke vereenigingen, die zich na zijn dood tot den Zöllnerbund vereenigden. In 1868 werd in het Rosental te Leipzig een gedenkteeken voor hem opgericht.

Zöllner, Heinrich, een Duitsch componist, een zoon van den voorgaande, geboren den 4"'-'n Juli 1854 te Leipzig, studeerde eerst aldaar in de rechten, maar werd in 1875 leerling van het Leipziger conservatorium. In 1878 werd hij universiteitsmuziekdirecteur te Dorpat, in 1885 dirigent van het mannenkoor te Keulen en leeraar aan het conservatorium aldaar. Hij werd in 1889 koninklijk muziekdirecteur. In 1890 vertrok hij als dirigent van het mannenkoor „Arion" naar New-York, in 898 werd hij universiteitsmuziekdirectei.r, dirigent > an het academisch zangkoor „Pai li s" en leeraar in de compositie aan het conservatorium te Leipzig. Hij werd in 1907 eerste kapelmeester aan de \ laam-

Sluiten