Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vlakte van de zon, photosfeer geheeten, zulk een gelijkmatigheid, dat het niet mogelijk is aldus een inzicht in haar bouw te verkrijgen. Met een verrekijker zien wij, dat de zon in het algemeen bedekt is met groepen van donker uitziende vlekken, de zonnevlekken (zie flg. 1, plaat I), terwijl met instrumenten met sterke vergrooting en bij gunstige weersgesteldheid de geheele, heldere oppervlakte een korrelig voorkomen heeft, juist alsof in een melkachtige vloeistof rijstkorrels gesuspendeerd waren. Onder de nieuwste met groote zorgvuldigheid uitgevoerde onderzoekingen omtrent de gesteldheid van de photosfeer moeten vooral die van Langley en Janssen genoemd worden. Volgens Langley heeft de photosfeer een wollig-wolkachtig voorkomen. Naast deze wolkachtige verschijnselen neemt men nog talrijke, zwakke vlekjes op een helderen achtergrond waar. Onder gunstige omstandigheden lossen zich de wolkachtige verschijnselen op in een reeks kleine, intensief lichtende korrels, welke in een relatief donker medium gesuspendeerd schijnen. De reeds genoemde vlekjes vertoonen zich nu als belangrijke openingen of poriën, waardoor de donkere achtergrond heenschijnt. Hun groote is zeer verschillend; de beter zichtbare hebben een middellijn van 2—4 boogseconden. De heldere puntjes of rijstkorrels (Secchi) bestaan volgens Langley uit opeenhoopingen van kleine lichtpuntjes, waarvan hij de middellijn op ongeveer Y," Secchi, zelfs nog kleiner schat. Janssen vervaardigde te Meudon bij Parijs photografleën van de zonsoppervlakte, welke zeer duidelijk haar korrelig voorkomen vertoonden. Hij vond, dat de middellijn der korrels schommelt tusschen eenige tiende en 3—4 seconden. Haar vorm is in het algemeen een weinig elliptisch. Het meest opmerkenswaardige van Janssen's photografleën is wat hij het „photosferisch net" noemt. Dit is een verdere verdeeling van de photosfeer in een reeks van dikwijls bijna rechtlijnig begrensde, meestal aan veelhoeken herinnerende figuren, waarin de korrels weinig helder en duidelijk schijnen, terwijl zij in de tusschenruimten scherp en goed begrensd zijn. Dikwijls is binnen de genoemde figuren iedere teekening geheel verdwenen om plaats te maken voor stroomen van lichtende materie, welke de granulatie der korrels vervangen. De oorzaak van dit verschijnsel schijnt in heftige bewegingen van de photosferische stof te moeten worden gezocht. Daar een hoek van één seconde op den afstand van de zon overeenkomt met een lineairen afstand van 725 km., moeten de kleinste korrels ongeveer 200 km. middellijn hebben.

Van de granulatie geheel verschillend zijn de fakkels (zie plaat I, flg. 1). Deze strekken zich als veelvuldig gekromde en dooreenloopende lichtaders op sommige plaatsen, meestal in de omgeving der vlekken van de zonneoppervlakte over duizenden km. uit. Met de zonnevlekken en protuberansen staan zij in ieder geval in nauw verband; want al déze verschijnselen nemen in hoofdzaak tegelijkertijd in intensiteit, frequentie en uitbreiding toe en af. Zij zijn in den kijker en op photografleën alleen in de nabijheid van den zonnerand te zien. Hoe meer zij naar het midden van de schijf trekken, hoe minder zij zich van haar omgeving onderscheiden. Daardoor werd de studie van deze belangrijke verschijnselen zeer bemoeilijkt, totdat Hale er in slaagde haar met behulp van zijn spectroheliograaf overal op de zonneschijf photografisch op te nemen. Zij moeten be¬

schouwd worden als verheffingen van het photosferisch materiaal boven het algemeen niveau, welke bovendien in helderheid zijn toegenomen.

Nadat de zonnevlekken in 1610 voorheteerstdoor Joh. Fabricius waren waargenomen, werden zij in 1611 ook door Galileï en Scheiner gezien. Reeds een oppervlakkige waarneming leerde, dat zij zich over de zonneschijf van het O. naar het W. verplaatsten. Scheiner berekende daaruit een omwentelingstijd voor de zon van ongeveer 25 dagen om een as, die een hoek van omstreeks 83° met de ecliptica maakt. Onder den invloed van de scholastieke wijsbegeerte van zijn tijd, volgens welke de zon het voerbeeld van reinheid was, beschouwde hij de vlekken als kleine planeten in haar nabijheid. Toen men echter ten tijde van Herschel groote kijkers op de zon richtte, bleek als spoedig, dat zij niet eenvoudig donkere punten of vlakjes waren, maar dat zij uit twee verschillende gedeelten bestaan. Om een donkere kern of umbra ligt de meer heldere hof of penumbra. Deze blijkt veelvuldig gestreept te zijn, terwijl ook de kern veelal niet gelijkmatig donker is. Overigens zijn deze kernen volstrekt niet zeer donker of zwart. Langley vond zelfs, dat zij de volle maan 500 maal in helderheid overtreffen. Afmetingen en vorm der vlekken zijn zeer verschillend. Dikwijls niet meer dan donkere punten, worden echter ook vlekken met 87 000 en meer km. middellijn waargenomen. Schwabe zag in 1850 een vlek van 211 400 km. doorsnede. Vorm en grootte veranderen dikwijls in korten tijd volkomen. Ook haar duur is zeer veranderlijk en wisselt af van eenige dagen tot weken en soms enkele maanden. Bovendien komen zij in den regel alleen in de aequatoriale streken van de zon voor. Opmerkenswaardig is, dat de eerste vlekken, die na een minimum optreden, ongeveer op 30° breedte plegen te ontstaan, dat daarna de gemiddelde breedte dervlekken langzamerhand afneemt en dat de laatste vlekken vóór het volgende maximum zich alleen in de nabijheid van den aequator vormen.

De Schotsche sterrenkundige Wilson leidde uit de vormveranderingen, welke de vlekken bij het naderen van den zonnerand ondergaan, af, dat zij als verdiepingen in de photosfeer zijn op te vatten. De kern ligt blijkbaar dieper dan de liclitende oppervlakte en zelfs dan de rand van den hof. Deze trechtervormige gedaante der vlekken vormt de grondslag van de theorie van Wilson, welke voornamelijk door Hers he' werd ontwikkeld, waarom zij ook wel diens naam draagt. Volgens deze theorie is de zon een donker, koel lichaam, omgeven door wolkachtige lagen. De buitenste daarvan, met intensieven glans, vorm de photosfeer, de binnenste, minder helder, den hof der vlekken, terwijl de kern niets anders zou zijn dan een gat in deze lagen, waardoor wij het donkere zonnelichaam waarnemen. Bij het streven, om daaraan een bepaald doel in de huishouding der natuur te geven, dacht men dit donkere zonnelichaam bevolkt met intelligente wezens, die door de koelere binnenste wolkenlaag tegen de vurige straling van de photosfeer beschermd worden. Ofschoon Herschel's autoriteit deze theorie tot in het midden van de vorige eeuw vermocht staande te houden, werd toch de ontdekking van de wet op het behoud van arbeidsvermogen, waarmede zij te eenenmale in strijd is, noodlottig voor haar. Zij moest wijken, toen onze kennis vermeerderd en ons inzicht in de algemeene natuurkundigeprocessen dieper geworden

Sluiten