Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was. Aan Kirchlioff komt de verdienste toe voor de verklaring van de solaire verschijnselen slechts de wetten te hebben gebruikt, die uit de aardsche verschijnselen afgeleid zijn.

De zonnevlekken zijn, zooals reeds werd opgemerkt, niet te allen tijde in even groot aantal voorhanden. In 1843 toonde Schwabe, door vergelijking van een reeks waarnemingen over ongeveer 30 jaar loopende aan, dat zij periodiek zijn. Gedurende een tijdsruimte van 2 of 3 jaar zijn de vlekken grooterin afmetingen en aantal dan gemiddeld; daarna nemen zij in aantal af en bereiken na 6—7 jaar een minimum; na weder 4—5 jaren treedt weder een maximum op. Wolff berekende in 18B2 den gemiddelden duur van de periode op 11,18 met afwijkingen van gemiddeld l2/3 jaar.

Onderstaande tabel geeft voor de 19de eeuw van deze periodiciteit een overzicht.

omwentelingsduur van de zichtbare oppervlakte van de zon niet voor alle deelen dezelfde is, zoodat voor de zon niet, evenals voor de aarde en andere planeten, een geheel bepaalde omwentelingstijd kan worden aangegeven. De afhankelijkheid van den omwentelingstijd van de heliografische breedte kan door rechtstreeksche waarneming van de vlekken niet verder dan tot 40° worden uitgevoerd. Dunér heeft daarom getracht, de snelheden aan den zonnerand spectroskopisch volgens het beginsel van Doppler—Fizeau voor alle breedten te bepalen. Van de resultaten van beide methoden geeft onderstaande tabel een overzicht:

Minima. Verschil. Maxima. Verschil.

1810,6 ,9, 1805,2 11 2

1823,3 ]Z''R 1816<4 135

• 1833,9 1829,9 ,'o

1843.5 1837,2 '■§

1856,0 tl'9 1848'1 120

1867,2 1860,1

1878,9 ]l'l 1870-6 133

1889.6 3i 1883,9 \<{l

1901.7 12,1 1894,1 1U,J

Over de oorzaak van deze periodiciteit, is nog niets met zekerheid bekend.

Uit de bewegingen, welke de vlekken over de zonneschijf uitvoeren, kunnen de rotatie-elementen: de helling van de as met die van de ecliptica, de lengte van den klimmenden knoop en de duur van de omwenteling worden gevonden. Reeds wezen wij op die van Scheiner. De nieuwste en beste bepalingen vindt men in onderstaande tabel bijeen:

Lengte van Omwente-

W aarnemer. ^Trd HeUin- m

op 1900. g

Carrington 74°,37' 7°15' 25,38

Spörer 75°,07' 6°58' 25,23

Wüsing 76°, 03' 7°10' 25,17

De niet onbelangrijke onderlinge verschillen moeten worden verklaard uit de moeilijkheden, aan de waarneming van zulke veranderlijke verschijnselen als de zonnevlekken verbonden. De aangegeven omwentelingstijd is de ware of siderische. De schijnbare of synodische omwentelingstijd, d. i. de tijd, welken «en vlek noodig heeft om, van uit de aarde gezien, weder op dezelfde plaats terug te komen, is ongeveer 2 dagen grooter. Scheiner vond verder, dat de omwentelingstijd van de vlekken niet voor alle breedten van de zon dezelfde is. De talrijke metingen van Carrington (1853—1861) en van Spörer (1861—1894) bevestigden de waarneming van Scheiner, waarvan de juistheid herhaaldelijk werd betwijfeld. Zij leidden derhalve tot het merkwaardig resultaat, dat de

Omwentelingstijd in dagen.

Heliografische

breedte.

Uit de vlekken. Spectografisch.

0° 25,0 26,5

10 25,2

15 26,4

20 25,7

30 26,5 27,6

40 27,4

45 30,0

60 33,9

75 38,5

Ofschoon de verschillen tusschen de beide waarnemingen niet onbelangrijk zijn, laten beide toch duidelijk zien, dat de omwentelingstijd met de breedte afneemt. Over de oorzaak van dezen verschillenden omwentelingstijd zijnde meeningen verdeeld.

Wanneer gedurende het voortschrijden van een totale zonsverduistering de voortdurend afnemende zonnesikkel wordt waargenomen, bespeurt men tot kort voor het oogenblik, waarop zij geheel verdwijnt, niets bijzonders. Op het oogenblik echter, dat zij verdwijnt, schijnt de diep zwarte maanschijf in de lucht te hangen, omgeven door een stralenkrans van zacht zilveren licht, gelijk de aureool om het hoofd der Heiligen. In deze corona (zie fig. 2, plaat I) steken vanaf den maanrand tongen en wolken van de meest phantastische vormen in vurige kleuren de protuberanzen (zie plaat II) omhoog. Was de corona reeds aan de Ouden bekend, op de protuberanzen is de aandacht eigenlijk eerst sedert ruim een halve eeuw gevestigd. Bij vrijwel elke zonsverduistering is de vorm van de corona anders gezien. Soms is zij meer vierkant dan rond; bij andere gelegenheden is zij waargenomen als een veelstralige ster. Men heeft gepoogd deze verschillende gedaante van de corona in verband te brengen met de periodiciteit van de zonnevlekken. Het is echter nog niet gelukt, dit verband te bewijzen. Aan de basis is de corona steeds het helderst; naar buiten neemt haar helderheid allengs af. Ook heeft men gepoogd haar lichtsterkte te bepalen. Ofschoon de resultaten onderling verschillen, mag toch als vaststaande worden aangenomen, dat haar lichtsterkte die van de volle maan overtreft. Wellicht verandert zij met den vorm der corona. Vroeger hield men deze voor een atmosfeer van zon of maan. Dat zij geen atmosfeer van de maan is, bewees spoedig haar ongelijkmatige begrenzing. Immers een atmosfeer van een lichaam

Sluiten