Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stroomen, wervels en discontinuïteiten vormen, zoodat haar bestanddeelen even volledig dooreengemengd zijn als de gassen in onze atmosfeer, en waarin licht en lichtsterkte langzamerhand van het middelpunt naar buiten toe afnemen; de zichtbare zonneschijf is het door regelmatige straalbreking vergroote beeld van de intensief lichtende zonnekern. De fakkels en protuberanzen vat hij op als produkten van onregelmatige straalbreking; de vlekken daarentegen zijn reeële dingen, massa's n. 1., welke van buiten naar binnen gestort zijn en die eerst met de zonnemassa in scheikundig evenwicht moeten komen, voordat zij ophouden te lichten en te absorbeeren. Afgezien hiervan, dat zijn opvattingen in strijd zijn met verschillende, naar het schijnt vaststaande feiten, bijv. de dichtheidsverhoudingen, en dat ook met de absorptie niet voldoende is rekening gehouden, was ook zijn verklaring van de vlekken, fakkels en protuberanzen onbevredigend. Dit bezwaar tracht onze landgenoot, prof. W. H. Julius te ondervangen door een aanvulling van de theorie, waarbij hij uitgaat van de verschijnselen der anomale dispersie. Hij toonde aan, dat wanneer licht een ruimte, waarin natriumdamp ongelijkmatig is verdeeld, doorloopt, de stralen, welke nagenoeg dezelfde golflengte hebben als de natriumlijnen, veel sterker afwijken dan alle andere. Daardoor kan in een schuine richting door den natriumdamp een tamelijk intensief licht worden uitgestraald, niettegenstaande het van een daarbuiten gelegen bron afkomstig is. Uitgaande van deze waarneming, toont de Utrechtsche hoogleeraar aan, dat de chromosfeer en de protuberanzen althans gedeeltelijk ontstaan zijn door sterke straalbreking van licht, dat afkomstig kan zijn van ieder punt van de zoogenaamde critische sfeer. Ook de omkeerende laag wil hij aldus opgevat hebben, terwijl hij verder aantoont, dat de verbreeding van de Fraunhofersche lijnen in de spectra der zonnevlekken, die men toeschreef aan absorptie door verdichte gassen, eveneens volgens de wetten der anomate dispersie kunnen worden verklaard.

Eveneens in zekeren zin in tegenspraak met alle andere opvattingen staat de zonnetheorie van onzen anderen landgenoot dr. A. Brester. Deze beschouwt de zon als een gasmassa, welke inwendig in rust is. Alle stormachtige verschijnselen in en op de zon verwerpt hij, op grond van de overweging, dat daardoor de laagsgewijze structuur van het zonnegas onmogelijk zou worden, terwijl ook de rust van het zonnespectrum en van de pseudocoroniumlijn in de protuberanzen daarmede niet in overeenstemming zijn. De zonnevlekken verklaart hij als openingen in de photosfeer; zij ontstaan en verdwijnen al naar mate deze bij haar vibraties stijgt of daalt. De verschijnselen, welke corona en protuberanzen ons bieden, brengt hij terug tot dezelfde oorzaak, als onze aardsche poollichten, n. 1. tot de beweging van electronen of ionen in een medium, dat in rust blijft. Uit de gaten in de photosfeer ontwijken bundels 3- en / stralen, welke, als zij in aanraking komen met onze atmosfeer, al die electrische en luminicentie verschijnselen teweeg brengen, waarvan reed§ Birkeland, Paulsen en Arrhenius aannamen, dat zij door kathodenstralen in het leven geroepen worden, en die daarna op hun beurt de oorzaak worden van onze poollichten en magnetische storingen. Tegelijkertijd wordt daardoor de periodiciteit van deze

aardsche verschijnselen ongedwongen verklaard en springt het in het oog, waarom zij soms plotseling zooveel sterker worden, wanneer er op de zon een groote vlek ontstaat.

Over de vorming van de zonnevlekken en de oorzaak van haar heliografische verdeeling heeft Oppolzer een theorie ontwikkeld, welke wij alleen vermelden kunnen, terwijl ook over den aard en den oorsprong van de corona vele hypothesen zijn gegeven, die echter niet meer zijn dan conjecturen.

Is, zooals wij zagen, de zon uit een natuurkundig oogpunt een zeer ingewikkeld verschijnsel, uit sterrenkundig oogpunt is zij één ster onder de zeer vele en daaronder volstrekt niet de eerste.

Zon, Petrus, baron de Wacker van, een Nederlandsch schrijver, geboren te Amsterdam den 9de* Augustus 1758, was secretaris van den Raad van Adel en schreef veelal onder het pseudoniem Bruno Daalberg. Van zijn geschriften vermelden wij: „De adel" (1786), verschenen onder den schuilnaam Anonymus Belga, „Nieuwe bijdragen tot de geschiedenis der Kruisvaarten en hare betrekking tot ons Var derland", „Eerste catern uit mijn zakboek, of aanteekeningen van een burger aan de grenzen van Holland" (1792), „Felix en Louise of de ouderliefde" (1799), treurspel naar het Fransch van Dumoustier, .Willem Hups, een anecdote uit de XVII eeuw, ongeloofelijk zelfs in de onze" (1805), „Twee en dertig woorden of de les van Kotzebue" (2 dln., 1805 en later), „De Steenbergsche familie" (4 dln., 1809), „Nog wat lectuur op de ontbijt- en de theetafel. Prof. van Hemert aangeboden" (1806—1107) „Apollo, in komische vertoogen", „De Overijselsche predikantsdochter" (3 dln., 1817) en „Jan Perfect of de weg der volmaking, vertoond in het leven en de lotgevallen van een wijsgeer" (2de druk, 2 dln., 1834). Ook was hij redacteur van het weekblad: „De Prullemand." Hij overleed den 88,en December 1848 te 's Gravenhage.

Zonaras, Johannes, een Byzantijnsch schrijver uit de tweede helft van de ll<ie en de eerste helft van de 12ae eeuw, geboren te Konstantinopel, bekleedde onder Alexius I Comnenus belangrijke betrekkingea en begaf zich vervolgens als monnik naar den berg Athos, waar hij een algemeene geschiedenis, in 18 dln., meestal „Annales" of „Chronicon" genaamd schreef. Zij beschrijft de gebeurtenissen van af de schepping tot 1118 n. Chr. en is belangrijk door haar uittreksels uit verloren gegane gedeelten van de werken van Dio Cassius. Een voortzetting daarvan leverde Niketas Akominalos. Uitgaven van het werk bezorgden Pinder (2 dln., 1841—1844; dl. 3 door Büttner Wobst, 1897) en door Dindorf (6 dln., 1868—1875), Zonaras wordt ten onrechte voor den vervaardiger gehouden van een door Tittmann (2 dln., 1808), uitgegeven Grieksch woordenboek.

Zondag1 (Dies Solis), de naar de zon genoemde dag, werd als de dag van Christus opstanding (Dies Dominicus, Dies Dominica, Dag des Heeren) door de Christenen in het tüdperk na de Apostelen als een feestdag naast den .Joodschen Sabbath gevierd, en ook na dien tijd bleef de Zondagsviering in de Christelijke kerk in stand. Weldra werden verschillende tot den Sabbath behoorende plechtigheden op den Zondag overgebracht. In den tijd van Constantijn den Groote werd echter eerst verboden werkzaamheden, die niet strikt noodzakelijk waren, op dezen dag te verrichten (321) terwijl keizer Leo III (717—

Sluiten