Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den voor den duur van den zonneschijn gaf dan ook geen groote overeenstemming. Het blijkt, dat de zon door de openingen in stapelwolken gemakkelijker heenschijnt bij hoogen, dan bij lagen stand. Troebelingen in de atmosfeer maken, dat de toestellen na op- en voor ondergang van de zon ongeveer een half uur niet werken. Ook nevel en latente wolken, d. z. onzichtbare massa's waterdamp, geven daartoe aanleiding. Een derde storende werking dankt zijn ontstaan aan rook en stof in de atmosfeer. Zoo had bijv. in Januari 1901 bij Zuidenwind Potsdam 112, Berlijn 83 en Blankenburg (7 km. N. waarts) nog slechts 73 uur zonneschijn. Volgens König en Kremser neemt de duur van den zonneschijn in Europa van het N. naar het Z. en van het W. naar het O. toe. Dit blijkt uit onderstaande tabel:

Dagelijksche

LAND. duur van den

zonneschijn.

Schotland -j- 3 uur

Ierland 3 —4

Engeland 31/,—41/, "

Duitschland 4'/2—5

Frankrijk 5 .—6 "

Zwitserland 41/2—6

Oostenrijk 5 —7

Spanje 7 —8 "

Bergtoppen steken in den winter dikwijls boven de wolkenlaag uit, waardoor de duur van beschijning er langer is dan in de dalen. Zoo heeft de Santis in het winterhalfjaar dagelijks gemiddeld 2 uur meer zonneschijn dan Zurich.

Zonnestanden (Zonnestilstandspunten, Solstitien) zijn de beide, 180° van elkander gelegen punten van den zonneweg, welke zich op den grootsten afstand (23° 27 ,6) van den aequator bevinden. De N. lijkste heet zomersolstitium (zie Zomer), de Z. lijkste wintersolstitium (zie Winter). Somtijds verstaat men onder zonnestanden ook de tijdstippen, waarop de zon in deze punten staat.

Zonnesteek (insolatio) is de naam van een ongesteldueid, waardoor wel eens zoodanigen overvallen worden, die in het midden van den zomer ger imen tijd aan de hitte der zonnestralen zijn blootgesteld, zooals soldaten op marsc.i, werklieden in het open veld enz. Dat het hoofd onbedekt bleef, is daarvan niet altijd de oorzaak, daar in de keerkringslanden wel eens personen des nac ts in hl n woningen door deze ziekte worden aangetast. Hier- : uit blijkt, dat deze eigenlijk veroorzaakt wordt door ; den hoogen warmtegraad. Zij, die door den zonne- 1 steek worden bezoc .t, zinken machteloos neder en 1 verliezen het bew stzijn. De ademhaling wordt moeielijk en dit gaat dikwijls vergezeld van braking en b ikloop. Bij die verse ijnselen van bew steloosheid en belemmerde ade ,.haling ziet men de lijders dikwijls na korten tijd — so s reeds na :i of 4 ren sterven. Komen zij echter bij, dan gev pelen zij zich ' gedurende eenige dagen nog zeer a. en loom en klagen tevens over hoofdlijn en d izeiigheid. Vermoedelijk is de zonnesteek een . in of eer laatselijke overmatige aandrang van 1 et Lloed naar ]

1 de hersenen en hersenvliezen, waardoor een vert lamming ontstaat van liet centraal orgaan der zenu-

- wen. Men dient de lijders aanstonds op een koele . plaats te brengen, van alle drukkende kleeding te

- ontdoen, hun koud water te geven en koude, prik: kelende lavementen te zetten. Daarenboven moeten • middelen aangewend worden om de ademhaling zoo 1 spoedig mogelijk te verbeteren.

' Zonnestelsel is in de sterrenkunde de naam ■ voor het geheel der lichamen, welke zich om een l zon als centraal lichaam bewegen, met inbegrip van die zon zelf. In ons zonnestelsel beliooren daartoe : dus de zon, de planeten met haar manen, alsmede de kometen en meteoren, waarvoor wij naar de af; zonderlijke artikelen verwijzen. De beide laatste groepen behooren echter waarschijnlijk slechts tijdelijk tot ons zonnestelsel, waartoe ook wellicht het zodiakaallicht (zie aldaar) moet worden gerekend. In de wereldruimte bestaat vermoedelijk nog een reusachtig groot aantal andere zonnestelsels.

Zonnestilstand. Zie Zonnestanden.

Zonnetafels zijn sterrenkundige tafels, welke de noodige gegevens en hulpmiddelen bevatten om de plaats van de zon voor elk tijdstip te berekenen. Zij berusten op waarnemingen van de zon in verband met een theoretisch onderzoek van de beweging der aarde. Oudere tafels zijn afkomstig van Cassini (1740), Euler (1 4 ), Mayer (1753), Lacaille (1758) Zach (1792), Delambre (18Ö6), Carlini (1810), Hansen en Olufsen (1853) en Leverrier (1858). Thans worden die van Newcomb, verschenen in de „Astronomical Papers", dl. VI (1898) gebruikt.

Zonnetijd is de tijd, die door de schijnbare dagelijksche beweging der zon wordt bepaald en alzoo te onderscheiden van den Sterretijd, die bepaald wordt met behulp van de meridiaansdoorgangen van dezelfde ster.

Zonnevisch (Zeus faber). Zie Cyttidae.

Zonnevlekken. Zie Zon.

Zonneweg- (Ecliptica) noemt men den grooten cirkel aan den hemel, dien de zon bij haar schijnbaren jaarlijkschen loop tusschen de sterren door schijnt te beschrijven. De naam is afgeleid van het Grieksche woord */.• v< (= flauwte, bezwijming), omdat men had opgemerkt, dat zons- en maansverduisteringen alleen dan plaats grijpen, wanneer de maan in dezen cirkel staat. Met den aequator sluit de ecliptica een hoek in van ongeveer 23°,5 de zoogenaamde helling van de ecliptica. Deze is echter aan kleine, periodieke schommelingen onderhevig. Haar grootste waarde bezat zij in het jaar 29 400 v. Clir., n. 1. 27° 31'. Daarna nam deze af tot op 21° 20' in het jaar 14 400 v. Chr., waarna zij, langzamerhand toenemend, in het jaar 2000 v. Chr. 23° 53' bereikte. Van af dat oogenblik 'i zij weder aan het afnemen. Dit gaat voort tot 6b00 n. Chr. (22° 54'), om dan opnieuw tot 19 300 n. Chr. door een toeneming te worden gevolgd. Haar jaarlijksche vermindering bedraagt thans volgens Bessel 0,48368. De ecliptica snijdt den aequator in 2 punten, voorjaars-, resp. herfstnachteveningspunt geheeten, omdat, wanneer de zon in één van deze punten staat, dag en nacht even lang zijn (zie Aequinoctium). 90° van deze beide punten verwijderd, liggen de beide punten, waar de zon zich het verstvan den aequator bevindt. Men noemt haar zonnestilstandspunten, omdat de middaghoogte van de zon en daarmede de lengte van den dag, niet merkbaar verandert, als

Sluiten