Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

richting dan die van de overige gewervelde dieren. De bek is, uitgezonderd bij de walvissclien, steeds door zachte lippen omgeven. De zijwaarts van de mondholte gelegen, ruim van spieren voorziene wangen hebben dikwijls instulpingen, die wangzakken vormen. Tanden komen alleen voor in de kaken. Slechts de mierenegels, miereneters en schubdieren zijn tandeloos, terwijl de baardendragende walvisschen vóór de geboorte tanden hebben, die echter

Fig. 11. Fio¬

Hersens van het konijn.

niet doorbreken, maar door loodrechte in dwarsrijen geplaatste hoornachtige platen (baarden) worden vervangen. Ook het vogelbekdier heeft echte tanden, die later door hoorntanden worden vervangen. Echte tanden zijn met wortels in tandkassen vastgehecht, alleen bij tanden met blijvenden groei is het onderste uiteinde van den tandwortel niet • gesloten. Waar het gebit tot grijpen gebezigd wordt, zooals bij de dolfijnen, zijn alle tanden kegelvormige grijptanden; bij de overige zoogdieren heeft men veelal snij-, hoek- en maaltanden (fig. 14 en 15). De eerste zijn dikwijls beitelvormig en dienen om hét voedsel af te snijden; ze staan in of tegenover het tusschenkaakbeen. De hoektanden zijn gewoonlijk kegelvormig of ook wel haakvormig omgebogen,

Fig. 14. Fig.

Melktanden van den hond.

om tot wapen te dienen; zij worden bij nagenoeg alle planteneters gemist. De maaltanden of kiezen zijn zeer verschillend van gedaante en dienen met hun bultige kronen tot vermaling van het voedsel. Vogelbekdieren, tandarme dieren en echte walvisschen krijgen slechts eenmaal tanden, bij de overige zoogdieren ontstaan eerst de zoogenaamde melktanden, die op zekeren leeftijd uitvallen en voor blijvende tanden plaats maken. Bij de roofdieren ontwikke¬

len zich een- of tweemaal tanden tot eigenlijke vleesch tanden; de snijtanden of hoektanden vergroeien soms tot groote slagtanden, zooals bijv. bij den olifant en den walrus. Men stelt het gebit voor door een tandformule, waaruit men ziet, hoeveel snijtanden (i), hoektanden (c), valsche kiezen (p), en ware kiezen (m) in de boven- en onderkaak geplaatst zijn. De keel, door het zachte gehemelte van de mondholte gescheiden, gaat over in den slokdarm en deze

12. . Fig. 13.

Hersens van den baviaan.

leidt naar de maag. Laatstgenoemde vormt in den regel een. eenvoudigen, dwars geplaatsten zak (fig. 16), maar is somtijds ook in verschillende afdeelingen verdeeld, het aantal dier afdeelingen bedraagt bij de herkauwende dieren vier. De darm, bij vleeschetende dieren 4- tot 5-maal en bij plantenetende 6- tot 28-maal zoo lang als het lichaam, is verdeeld in een dunnen en dikken darm, wier grens door een klapvlies en bij de plantenetende door een blinden darm wordt aangewezen. De endeldarm eindigt in den anus, behalve bij de vogelbekdieren, die zich door het bezit van eene cloaca onderscheiden. Het hart der zoogdieren bestaat, evenals dat der vogels, uit een linker slagaderlijke afdeeling en een rechter aderlijke afdeeling, ieder met een voorhof of boezem

15. Fig. 16.

Blinden darm van Lagomys.

en een kamer; het ligt gewoonlijk in het midden der borstholte. De gepaarde longen hangen vrij in de borstholte. De ademhaling geschiedt hoofdzakelijk door de bewegingen van het middenrif, een gewelfd, spierachtig vlies tusschen de borst- en de buikholte. Het verruimt door samentrekking de borstholte en wordt hierbij geholpen door de ribben. De luchtpijp is gewoonlijk recht en verdeelt zich in twee takken, die naar de longen loppen. Zij begint bij

Hersens van den vischotter.

Blijvend gebit van den hond.

Sluiten