Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het strottenhoofd, dat tevens het orgaan is voor de stemvorming. Daarnevens vindt men bij sommige

Fig. 17.

zoogdieren holten ter versterking van het geluid of ter bewaring van de lucht. De nieren zijn doorgaans vaste, boonvormige klieren; de urineleiderskomen steeds uit in de urineblaas en de urinebuis, waardoor deze zich ontlast, staat min of meer in verband met de geslachtsorganen. De ballen der mannelijke dieren (fig. 17 en 18) blijven bij de walvischachtige dieren en vogelbekdieren in de buikholte; bij andere dieren komen zij door het lieskanaal onder de huid, vanwaar zij bij sommige knaagdieren enz. na den bronstijd in de buikholte terugkeeren. Doorgaans echter komen zij door het lieskanaal in den door een

dubbele huidplooi gevormden balzak, vanwaar

de beide zaadstrengen naar de urinebuis loopen,

Urogenitaalstelsel van welke laatste eindigt in den mannelijke bever. een roe(ie met aderlijke holten. De eierstokken zijn alleen bij de vogelbekdieren gelobd, zooals bij de vogels, bij genoemde dieren is de linker eierstok nagenoeg verdwenen (fig. 19 en 20). Bij de overige

Fig. 18.

Fig. 19.

(bij knaagdierên), een uterus bicornis met afzonderlijke bovenste helften (bij roofdieren enz.) en een uterus simplex of enkelvoudige holte (bij menschen en apen). De beide geslachten zijn bij de zoogdieren gescheiden. Gewoonlijk is het mannelijk individu grooter, anders behaard en voorzien van krachtiger stem, sterker tanden en ook wel van een gewei, terwijl zijn melkklieren in een onontwikkeld en toestand blijven. De bronstijd valt bij de zoogdieren meestal in de lente, doch is in warme landen en ook bij£de tamme dieren niet aan een bepaald jaargetijde gebonden. Tegen het einde van den bronstijd verlaten een of meer eieren den eierstok en deze worden waarschijnlijk in den eileider bevrucht. Daarna komt het ei, met een middellijn van 0,1—0,2 mm. in de baarmoeder en ontwikkelt zich hier op verschillende wijzen. Bij vogelbekdieren en buideldieren ontstaat geen moederkoek (placenta,) maar wel bij de overige zoogdieren. Daarbij blijven de vlokken der placenta met den baarmoederwand los verbonden, totdat de moederkoek bij de geboorte verwijderd wordt. De duur der zwangerschap neemt in het algemeen met de grootte van het lichaam toe, maar richt zich vooral naar de trap van ontwikkeling, waarop de jongen het levenslicht aanschouwen. Zij duurt het langst bij de groote land- en waterdieren en het kortst bij de vogelbekdieren en buideldieren, waarvan de jongen bij de geboorte nog zeer onvolkomen zijn en door hetmoederdier in een door de huidplooiengevormden zak (buidel) meegedragen wordt. Het aantal jongen wisselt bij de zoogdieren af tusschen 1 en 12, doch klimt ook wel tot 24. De groote zoogdieren, die een zwangerschap hebben van 6 of meer maanden, brengen in den regel slechts eenjong terwereld. Gewoonlijk wijst het aantal borsttepels der moeder op het aantal jongen.

Fig. 20.

Urine- en geslachtsorganen van den hamster.

Vrouwelijke geslachtsorganen van een buideldier.

Vrouwelijke geslachtsorganen van het vogelbekdier.

zoogdieren vindt men twee gelijkmatig ontwikkelde, gladde en vaste eierstokken met eileiders, die in de baarmoeder (uterus) uitloopen, welke laatste wederom eindigt in de scheede, behalve bij de buideldieren. Men onderscheidt een uterus duplex (bij knaagdieren en buideldieren), een uterus bipartitus met een volkomen inwendigen sclieidswand

De Walvischachtigen en Vinpootigen zijn waterbewoners en houden hun verblijf in zee. Alle overige zoogdieren bewonen het land. Vele leven afzonderlijk in de bosschen en leven alleen in den bronstijd paarsgewijs; andere leven gezellig in troepen onder de leiding der oudste en sterkste mannetjes.De meeste zoogdieren zoeken bij den dag hun voedsel en slapen des nachts, andere komen eerst met de sche-

Sluiten