Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mering en in den nacht uit hun schuilhoeken te voorschijn. Eenige knaagdieren, insekteneters en roofdieren houden gedurende het koude jaargetijde in hun nesten een nu en dan afgebroken (beer, das, vledermuis) of voortdurenden (hazelmuis, egel, marmot) winterslaap. Regelmatige tochten, hoewel geenszins met die der vogels te vergelijken, worden ondernomen door het rendier, de Zuid-Amerikaansche antilopen, den Noord-Amerikaanschen buffel, zeehonden, walvisschen, vleermuizen en lemmingen. Eigenlijke kunstdrift wordt bij de zoogdieren zelden waargenomen, hun verstandelijke vermogens bereiken echter soms een hooge ontwikkeling. Vele zoogdieren bouwen ruime gangen en kunstige woningen boven en onder den grond, en bijna alle bereiden voor hun jongen zachte ligplaatsen. Vele dieren verzamelen een wintervoorraad.

De zoogdieren zijn over den geheelen aardbodem verspreid, hun verdeeling over de verschillende deelen van de aarde is echter zeer ongelijk. De apen bewonen de warme streken van Amerika, Afrika en Azië, terwijl zij in gering aantal op de rotsen van Gibraltar voorkomen. De breedneuzen komen uitsluitend in de Nieuwe Wereld, de smalneuzen in de Oude Wereld voor. De halfapen zijn karakteristiek voor Madagaskar en komen buitendien op het vasteland van Afrika en in Indië voor. De vleermuizen ontbreken alleen in de koude luchtstreken, de familie van de vruchtenetende vliegende honden is karakteristiek voor de heete zone van het oostelijk halfrond. De roofdieren komen niet voor in de antarktische en Australische zone (Celebes uitgezonderd) en in de Antillen. Katten zijn in de Oude en de Nieuwe Wereld algemeen verspreid. De hyena's zijn karakteristiek voor Afrika, één soort komt in Azië tot den Kaukasus en den Altaï voor. Beren zijn in de Oude en in de Nieuwe Wereld algemeen. Honden treft men in de streken, waar roofdieren leven, overal aan, behalve op Madagaskar; de dingo is in de Australische zone de eenige vertegenwoordiger van dit geslacht. Marters ontbreken alleen in de Aethiopische zone. Het stinkdier leeft in Aethiopië en Amerika. Dassen zijn, evenals vischotters, algemeen verbreid. Insekteneters ontbreken in de antarktische zone, Australië en Zuid-Amerika; het meest komen de spitsmuis en de mol voor. Van de knaagdieren treft men de muizen het meest algemeen aan. De slurfdieren zijn aan de tropische streken van de Aethiopische en Oostersche zone gebonden. Het Nijlpaard leeft in Afrika, de varkens zijn verbreid over de palaearktische, Aethiopische en Oostersche zone en komen ook in het Australisch gebied voor. Van de herkauwers vindt men de runderen in de arktisch-circumpolaire, nearktische en palaearktische, Aethiopische en Oostersche zone, van waar zij zich over het Australisch gebied verbreiden. Twee soorten van antilopen zijn nearktisch, de overige leven in de Oude Wereld, inzonderheid in Afrika; buitendien treft men ze in de Oostersche en in de palaearktische zone aan. De herten ontbreken alleen in de Aethiopische zone. Het kameel is in de Oude Wereld door den dromedaris en het kameel, in de Nieuwe Wereld door de lama, de guanaco, de vicuna en de alpaca vertegenwoordigd. Van de onevenvingerigen behooren de paarden tot de Oude Wereld, de neushorens komen in het Aethiopisch en het Oostersch gebied voor, de tapirs in het Oostersch en het neotropisch gebied. Wat de zeezoog¬

dieren betreft, hebben de walvischachtigen met tanden de grootste verbreiding, in de eerste plaats de dolfijnen, die in alle zeeën en in de mondingen van rivieren worden aangetroffen. De potvisch leeft in de tropen, de baardendragende walvisschen in de arktische en antarktische zone. De walrus is arktisch-circumpolair, de oorrobben ontbreken in den Atlantischen Oceaan, zeehonden komen in alle zeeën van de koude en de gematigde luchtstreek voor. De tandarme dieren zijn, met uitzondering van twee geslachten, die tot de Aethiopische, gedeeltelijk tot de Oostersche zone behooren, neotropisch. De buideldieren zijn karakteristiek voor Australië; ook komen zij in Zuid-Amerika en in het zuiden van Noord-Amerika voor. De cloaquedieren zijn tot Australië, Nieuw-Guinea en Tasmania beperkt.

Men kent ongeveer 5 000 soorten zoogdieren, waarvan ongeveer 3 000 uitgestorven zijn. Door toedoen van den mensch is het verbreidingsgebied van vele dieren een geheel ander geworden. De oudste fossiele resten zijn afkomstig van buideldieren (microlestes, dromatherium), misschien ook van cloaquedieren; zij komen voor in het bovenste trias. In het tertiair treft men vele plantenetende hoefdieren (astrapotheriden) aan, tegen het einde van dit tijdperk nemen de roofdieren toe. Het oudste zoogdier van Noord-Amerika is het pyrotherium. Van sommige thans nog levende zoogdieren, zooals van het paard, heeft men de afstamming kunnen nagaan. Door talrijke vondsten zijn de vroegere meeningen over de verwantschap van de diergroepen geheel gewijzigd. De indeeling vanLinnaeus volgens de teenen is thans niet meer gebruikelijk. Men onderscheidt thans in verband met de gesteldheid van de placenta:

I. Aplacentalia (zoogdieren zonder placenta), iBte Orde: Monolremata (Cloaquedieren, zie aldaar). De darm, de urine- en geslachtsorganen monden in een gemeenschappelijke ruimte, de cloaque uit. Deze dieren bezitten snavelvormige kaken en leggen eieren. 2de Orde: Marsupialia (Buideldieren, zie aldaar) De ontwikkeling der jonge dieren heeft plaats in een door buidelbeenderen ondersteunden broedzak. Bij enkele buideldieren wordt een soort placenta gevormd.

II. Placentalia (zoogdieren met een placenta). A. Indeciduata. De moederkoekvlokken zijn slechts los met den baarmoederwand verbonden. 3de orde: (Tandelooze zoogdieren, zie aldaar). Het gebit is onvolkomen, de teenen zijn van klauwen voorzien, de huid is gedeeltelijk met schubben of kraakbeenschilden bedekt. 4de orde: Cetacea (Walvischachtigen, zie aldaar). Deze orde omvat in het water levende zoogdieren met een langwerpig, onbehaard, vischvormig lichaam, dat in een horizontale staartvin eindigt met vinvormige voorste ledematen, maar zonder achterste ledematen. 6de orde: Ungulata (hoefdieren, zie aldaar). De teenen zijn veranderd in hoeven. De maag is dikwijls zeer samengesteld. Het gebit is gewoonlijk volledig, dikwijls ontbreken echter de hoek- en snijtanden in de bovenkaak. B. Deciduata. De beide deelen van de placenta zijn geheel vergroeid met gordelvormigen moederkoek. 6de orde: Proboscidea (Dikhuidigen, zie aldaar). Hiertoe behooren groote, veelhoevige dieren met een langen snuit, samengestelde kiezen en sterk ontwikkelde snijtanden in het tusschenkaaksbeen. 7de orde: Lamnungia (Klipdassen, zie al-

Sluiten