Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar), kleine dieren met platte hoeven en met Mauwen gewapende binnenteenen. 8Bte orde: Pinnipedia (Robben, zie aldaar). Hiertoe behooren behaarde waterdieren met vijfteenige vinpooten, van welke de achterste zich achterwaarts uitstrekken, zonder staartvin. 9<lc orde: Carnivora (Roofdieren, zie aldaar), vleeschetende zoogdieren met een roofdiergebit en sterke klauwen. Discoplacentalia (met schijfvormigen moederkoek). 10de orde: Glires (Knaagdieren, zie aldaar) met een gebit, dat tot knagen is ingericht, en llde orde: Insectivora (Insekteneters, zie aldaar), zoogdieren met een volkomen gebit, vrij groote hoektanden, scherpe, puntige maaltanden en teenen van klauwen voorzien. 12de orde: Chiroptera (Handvleugeligen, Vleermuizen, zie aldaar) met een vlieghuid aan de zijden van den romp tusschen de verlengde vingers der hand, de achterpooten en den staart. 13de orde: Prosimii (Halfapen, zie Aap), klimmende dieren met handen en grijpvoeten, een behaard gezicht en tepels aan de borst en den buik. 14de orde: Primates (Primaten, zie aldaar), meestal met handen en grijpvoeten, een onbehaard gezicht en 2 borsttepels.

Zoögene gesteenten zijn zulke sedimentaire gesteenten, die geheel of in hoofdzaak uit dierlijke overblijfselen bestaan. Zij komen in alle formaties voor, zoo bijv. als trochietenkalk van de juraformatie, nummulietenkalk van de tertiaire formatie en als koraalkalk.

Zoögeografie. Zie Dierengeografie.

Zoölatrie. Zie Dierenvereering.

Zoöiieten zijn versteende overblijfselen van voorwereldlijke dieren. Zie Versteeningen .

Zoölogie. Zie Dierkunde.

Zoölogische stations zijn wetenschappelijke inrichtingen, voor het onderzoek van waterdieren en daarom aan de zee of aan groote binnenzeeën of meren gelegen. Later werden zij ook voor het onderzoek van waterplanten en voor physiologische onderzoekingen gebezigd, waarom men aan de nieuwe stations meestal den naam van biologische stations geeft. De eerste inrichting van dien aard werd in 1872 te Napels door Anton Dohm opgericht. Zij bezit thans ongeveer 60 laboratoria, die voor morphologische, chemische en physiologische onderzoekingen zijn ingericht en aan verschillende staten, universiteiten en andere vereenigingen worden verhuurd. Er is een groot aquarium en een vakbibliotheek met meer dan 13 000 deelen. Het vangen van dieren en planten geschiedt met 2 kleine stoombooten en een duiktoestel. Er worden ook dieren en planten naar andere streken verzonden. Het station geeft 3 tijdschriften uit: „Fauna en Flora van de Golf van Napels" (sedert 1880), „Mededeelingen van het zoölogisch station" (sedert 1879) en „Jaarlijksch zoölogisch verslag" (sedert 1879).

Naar het voorbeeld van het instituut te Napels zijn ook inandere landen dergelijke inrichtingen ontstaan. In ons land en in Schotland had men vroeger zoogenaamde vliegende stations, die elk jaar op een andere plaats op de kust of op een eiland werden opgericht. Sedert 1876 bezit ons land een vast zoölogisch station te Den Helder, dat echter meer in het bijzonder met het oog op de belangen van de visscherij werd opgericht. Het belangrijkste Engelsche station is gevestigd te Plymouth, het belangrijkste van Frankrijk te Roscoff, Oostenrijk heeft

zulk een inrichting te Triest, Rusland te Sebastopol, België te Wimeraux, de Vereenigde Staten te Newport op Rhode Island en op de Bermudaeilanden. Een lacrastish of zoetwaterstation vindt men o. a. te Plön. In 1907 werd op de Coll d' Olen bij de Monte Rosa het biologisch hoogtelaboratorium Laboratorio scientifico A. Mosso opgericht. Het aantal zoölogische stations bedraagt thans ongeveer 60.

Zoölogische tuin is een andere naam voor dierentuin (zie aldaar).

Zoom is de naam van een waterloop in het W. van Noord-Brabant, die ontstaat uit de plassen (venen en moeren), vooral uit de Witte Moeren, bij de Belgische grenzen ten Z. O. en O. van Bergen-opZoom. Vroeger diende deze waterloop tot den afvoer van turf, die in genoemde moeren gegraven werd. Later ging dit bedrijf te niet en noemde men de gegraven vaart een rivier, daar men ten onrechte meende Bergen-op-Zoom aan een rivier te moeten plaatsen, die als de Zoom werd aangeduid.

Zoönomie is hetzelfde als Dieremphysiologie. Zie Physiologie.

Zoöuosen noemt men de ziekten, die van dieren op menschen kunnen overgaan.

Zoöphagen of Carnivoren noemt men dieren, die zich met andere dieren voeden.

Zoöphyten. Zie Plantdieren.

Zoösporen. Zie Sporen.

Zoötherapie is hetzelfde als Veeartsenijkunde. (Zie aldaar).

Zoötomie. Zie Anatomie.

Zöpfl, Heinrich Matthias, een Duitsch rechtsgeleerde, geboren te Bamberg den 6dcn April 1807, studeerde te Würzburg en vestigde zich in 1828 als privaatdocent te Heidelberg. In 1839 werd hij er benoemd tot hoogleeraar in het staatsrecht, bekleedde er tijdens de woelingen van 1849 het protectoraat der universiteit en werd in 1850 door deze afgevaardigd naar de Eerste Kamer in Baden. Hij overleed te Heidelberg den 4den Juli 1877. Van zijn geschriften vermelden wij: „Deutsche Staats- und Rechtsgeschichte" (1834—1836, 4de druk als „Deutsche Rechtsgeschichte", 3 dln., 1871—1872), „Grundsatze des allgemeinen und konstitutionellmonarchischen Staatsrecht" (1841), 5de druk als „Grundsatze des gemeinen deutschen Staatsrechts" (2 dln., 1863), „Altertümer des Deutschen Reichs und Rechts" (3 dln., 1859—1861), „Das alte Bamberger Recht" (1839), „Die peinliche Gerichtsordnung Kaiser Karls V, nebst der Bamberger und der Brandenburger Halsgerichtsordnung" (1842, 3de druk, 1883), „Über hohen Adel und Ebenbürtigkeit" (1853) en „Die neuesten Angriffe auf die staatsrechtliche Stellung der deutschen Standesherren" (2d* druk, 1867).

Zöppritz, Karl, een Duitsch aardrijkskundige, geboren te Darmstadt den 14dcn April 1838, studeerde te Heidelberg, Koningsbergen en Parijs in de wis- en natuurkunde, vestigde zich in 1865 te Tubingen als privaatdocent in de wiskundige natuurkunde, was van 1867—1880 buitengewoon hoogleeraar te Gieszen en werd in 1885 gewoon hoogleeraar in de aardrijkskunde te Koningsbergen. Hij overleed aldaar den 21sten Maart 1885. Hij leverde een bewerking van de „Reisen Pruyssenaeres im oberen Nilgebiet" (1877). Verder schreef hij: „Leitfaden der Kartenentwurfslehre" (1884, 2de druk van Bludau, 2 dln., 1899—1908) en „Hydrodynami-

Sluiten