Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sche Probleme'in'Bcziehung zur Theorie der Meeresströmungen" (in Wiedemanns „Annalen", 1878— 1879) 'en leverde voor het „Geographisches Jahrbnch" van Behm-Wagner de verslagen over den staat'der natuurkundige aardrijkskunde (1880,1882, 1884) en over de wetenschappelijke reizen en onderzoekingen in Afrika sedert 1876 (1882, 1884).

Zopyros, een zoon van Megabyzos, was een der zeven mannen, die een samenzwering smeedden tegen den Pseudo Smerdis. Darius belegerde omstreeks 520 v. Chr. gedurende 19 maanden het oproerige Babyion zonder de stad tot onderwerping te kunnen brengen, toen Zopyros volgens de legende een list verzon. Hij begaf zich als verminkt en gebrekkig naar de Babyloniërs en deelde hun mede, dat hij door Darius mishandeld was. Hij werd eerst aan het hoofd van een gedeelte van het leger geplaatst, behaalde toen volgens afspraak met Darius een schijnoverwinning op de Perzen en kreeg daarna het opperbevel over de geheele krijgsmacht te BabyIon en over al de verdedigingswerken der stad. Daarvan maakte hij gebruik om de stad in handen van Darius te brengen. De koning verhief hem tot bevelhebber van Babyion. Hij werd echter onder de regeering van Xerxes bij een derden opstand door het verbitterde volk vermoord. Deze legende wordt medegedeeld door Herodotos.

Zorg1. Zie Sorgh.

Zorgdrager, Cornelis Gijsbcrlsz., een Nederlandsch zeevaarder, was gevestigd te Zaandam en overleed aldaar in het midden van de 18de eeuw. In 1690 volbracht hij zijn eerste reis als commandeur ter Groenlandsvaart voor rekening van Dirk Dirksz. Prutkooper te Jisp met een oude buis, twee sloepen en een jol en een bemanning van 14 koppen. Later deed hij verschillende andere tochten. Van hem is afkomstig: „C. G. Zorgdragers Bloeiende opkomst der aloude en hedendaagsche Groenlandsche visscherij," waarin met eene geoefende ervarenheid de geheele omslag dezer visscherij beschreven en wat daarin dient waargenomen, nauwkeurig verhandeld wordt. Uitgebreid met eene korte historische beschrijving der noordelijke gewesten, voornamelijk Groenland, IJsland, Spitsbergen, Nova Zembla, Jan Mayen-Eiland, de Straat David en al 't aanmerkelijkste, in de ontdekking dezer landen en in de visscherij voorgevallen. Met bijvoeging van de walvischvangst in hare hoedanigheden, behandelingen, 't scheepsleven en gedrag. Beschouwd door Abraham Mousbach". Een 2d0 druk van dit werk verseheen in 1727, een 3de onder den titel: „De walvischvangst met vele bijzonderheden, daartoe betrekkelijk" in 1784.

Zorggras (Holeus) is de naam van een plantengeslacht uit de groote familie der Grassen (Gramineae). Het omvat overblijvende planten, en bij deze vindt men in ieder bloempakje twee bloemen, namelijk éen tweeslachtige en éen mannelijke, en deze zijn zoodanig geplaatst, dat de laatste boven de eerste is ingeplant. De kelkkafjes zijn even lang, maar niet even breed, — voorts is het bovenste drieen het onderste éennervig. Het onderste kroonkafje der bovenste bloem draagt onder den top een naald, die bij de onderste bloem ontbreekt. Bij beide bloemen is het bovenste kroonkafje aan den top afgeknot en van twee tandjes voorzien. De twee stempels,- op korte stijlen geplaatst, komen aan den voet van het bloempakje te voorschijn. Wij kennen in

ons land twee soorten, namelijk: wollig zorggras (E. lanatus) en zacht zorggras (E. mollis). De eerste komt veel meer voor dan de laatste en heeft haren naam te danken aan haar witachtige kleur en dicht opeen gelegene, zachte haren, die alle deelen der plant bedekken. Uit den korten, vezeligen, wortelstok verheffen zich éen of meer stengels ter hoogte van 3 tot 5 cm. welke voorzien zijn van vrij breede bladeren in wijde scheeden en van landwerpig eironde bloempluimen. Het verschil tusschen de beide soorten is vooral gelegen in de lengte en de gedaante der kafnaald van het bovenste bloempje; deze steekt bij het wollig zorggras niet uit boven het bloempakje en is haakvormig omgebogen, terwijl zij bij het zacht zorggras buiten de kelkkafjes te voorschijn treedt en knievormig is omgebogen.

Zorgkoorn of Moorengierst. Zie Gierst.

Zorilla, don Manuel Ruiz, een Spaansch staatsman, geboren in 1834 de Burgo de Osma in de provincie Soria, studeerde te Valladolid in de rechten, werd advocaat te Madrid en nam in 1856 zitting in de Cortes bij de Progressisten. Ten gevolge van den Juni-opstand in 1866 werd hij verbannen, vertoefde tot aan de omwenteling van 1868 inFrankrijk, werd daarop door Serrano tot minister van Handel, Onderwijs en Openbare Werken benoemd, was van 1869—1870 belast met de portefeuille van Justitie en werd daarna president van de Cortes. Als zoodanig bevorderde hij met kracht de verkiezing van hertog Amadeus van Aosta tot koning. Onder dezen werd hij in 1870 minister van Eeredienst. Nadat hij in 1871 korten tijd een zuiver progressistisch ministerie had gevormd, aanvaardde hij den 14den Juni 1872 het voorzitterschap van een radicaal Kabinet, maar legde bij het heengaan van Amadeus, wat hij tevergeefs had trachten te verhinderen, zijn betrekking neder en vertrok naar Parijs en vervolgens naar Genève. Wegens medeplichtigheid aan de militaire revolutie van Maart 1884 werd hij bij verstek ter dood veroordeeld. Van de latere amnestie maakte hij aanvankelijk geen gebruik. Later echter keerde hij naar Spanje terug en overleed den 13den Juni 1895. In 1900 werd te Valladolid een standbeeld voor hem opgericht.

Zorn, Philipp, een Duitsch rechtsgeleerde, geboren den 13den Januari 1850 te Bayreuth, studeerde te München en te Leipzig, vestigde zich in 1875 te München als privaatdocent, werd er in hetzelfde jaar benoemd tot buitengewoon hoogleeraar en vertrok in 1877 als gewoon hoogleeraar naar Bern. In den herfst van dat jaar trad hij als zoodanig op te Koningsbergen en werd in 1900 naar Bonn beroepen om er staatsrecht te doceeren, nadat hij in 1899 als vertegenwoordiger van het Duitsche Rijk aan de vredesconferentie te 's Gravenhage had deelgenomen. Van zijn werken noemen wij: „Staat und Kirche in Norwegen bis zum Schlusse des 13 Jahrhunderts" (2de druk, 1895), „Staat und Kirche in der Schweiz" (met K. Gareis, 2 dln., 1877—1878), „Das Staatsrecht des Deutschen Reiches" (2dc druk 2 dln., 1895—1897), „Lehrbuch des Kirchenrechts" (1888), „Die staatsrechtliche Stellung des Preuszischen Gesamtministeriums" (1893), „Reich und Reichsverfassung. Antwort auf die Frage: ist die Reichsverfassung Gesetz oder Vertrag?" (1895), „Die Hohenzollern und die Religionsfreiheit" (1896), „lm neuen Reich. Reden und Aufsatze zur preuszischdeutschen Staats-und Rechtsgeschichte"

Sluiten