Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gie tot verwijdering van ketelsteen, tot het bereiden van koningswater enz. In de geneeskunde wordt het aangewend ter bevordering van de spijsvertering en ter opwekking van de werkzaamheid der zenuwen bij typheuse- en scharlakenkoorts, bij lever-, nieren maagziekten.

Zriuyi, Nikolaas, graaf van, een Hongaarsch veldheer van keizer Ferdinand I werd geboren in 1508 uit het oud Slavisch geslacht van de graven Von Breber, dat zich sedert 1347 naar het kasteel Zrin noemde. Hij onderscheidde zich bij de belegering van Weenen (1529) in de veldtochten tegen Johan van Zapolya en sultan Soliman. Eerst was hij koninklijk tavernicus (schatmeester) in Hongarije, in 1542 werd hij banus van Kroatië en Slavonië, in 1563 opperbevelhebber der koninklijke troepen op den rechteroever van de Donau en kommandant van Szigetvar. Den 6den Augustus 1566 verscheen de sultan voor deze stad en Zrinyi vatte het besluit op, haar met zijn 2 500 man tot het uiterste te verdedigen. Na onderscheiden uitvallen en aanzienlijke verliezen, zag hij zich genoodzaakt den 10'Je" Augustus de Nieuwstad prijs te geven aan de vlammen. Tien dagen daarna namen de Janitsaren de Oudstad stormenderhand in, en Zrintji trok zich met het overschot der bezetting, 800 man, op het kasteel terug.Van den 26S,CI1 Augustus tot den Isten September werd het slot dagelijks herhaalde malen door de Turken bestormd; de aanvallen werden echter telkens afgeslagen. Den 5del1 September geraakte het buitenste gedeelte van het slot in brand

vaarnaZrinytzichindeninwendigenburchtterugtrok. Toen ook deze den 7den Septemberin brand geraakte, begaf hij zich zonder harnas, alleen met helm en schild en sabel gewapend,met600man in het midden der vijanden, maar viel reeds op de brug van het slot, door drie kogels getroffen neer. Hij werd nog levend bij den sultan gebracht, die hem het onthoofden (8 September 1566). Zijn getrouwen kwamen allen om, gedeeltelijk werden zij teruggeworpen in het brandende kasteel. Hier vloog plotseling het kruidmagazijn in de lucht, waarbij een groot aantal Turken het leven verloren. Deze belegering kostte den sultan meer dan 20 000 man. Frans Jozef I liet te BoedaPest een borstbeeld voor Zrinyi oprichten, te Csakathurn werd een gedenkzuil ter herinnering aan zijn dapperheid geplaatst. Zijn geschiedenis werd meermalen dramatisch behandeld, o.a. door Theodor Körner.

Zrinyi, Nicolaas, graaf van, een achterkleinzoon van den voorgaande, geboren te Czakvar in 1616, werd in 1647 banus van Kroatië, veroverde in 1651 Kostriniz, versloeg in 1663 meermalen de Turken, doch kon in weerwil van zijn dapperheid, noch het vertrouwen van het hof, noch een zelfstandig commando verkrijgen. Hij werd den 18den November 1664 op de jacht door een wild zwijn verscheurd. Volgens een gerucht waaraan echter alle bevestiging ontbreekt, zou hij in opdracht van het hof zijn gedood. Hij bevorderde de wetenschappen en was zelf een dichter; zijn werken (1651) bevatten idyllen, liederen en het epos: „Zrinyiade". Zijn geschriften in proza verschenen in 1817 in 2 deelen, een prachtuitgave van al zijn werken werd bezorgd in 1862 door Toldy, zijn militaire geschriften werden in 1893 uitgegeven door E. Rónai Horvath.

Zsambék, een gemeente in het Hongaarsche comitaat Pest, gelegen in het Piüser Gebergte, be¬

zit overblijfselen van Turksche bouwwerken (moskee, bad, waterleiding), mïnen van een ouden burcht, een praemonstratenserabdij en een kerk uit de 13de eeuw. Het telt (1901) 13 998, voornamelijk Duitsche en Magyaarsche inwoners.

Zschokke, Johann Heinrich Daniël, een Duitsch schrijver, geboren den 22sten Maart 1771 te Maagdenburg ontving aldaar zijn opleiding in de kloosterschool en op het gymnasium, doch een jongensstreek was oorzaak, dat hij in Januari 1788 de vlucht nam naar elders. Nadat hij te Schwerin korten tijd als huisonderwijzer was werkzaam geweest, zwierf hij als tooneeldichter eenigen tijd rond met een reizenden schouwburgtroep, tot hij, met zijn bloedverwanten verzoend, zich naar de universiteit te Frankfort aan de Oder begaf, waar hij in de godgeleerdheid en de wijsbegeerte, vervolgens in de rechten studeerde. In dezen tijd schreef hij den roman: „Aballino, der grosze Bandit" (1794), dat weldra voor het tooneel bewerkt en in de meeste steden van Duitschland opgevoerd werd. In 1792 werd hij privaatdocent te Frankfort, maar omdat hij geschreven had tegen het „Wöllnersche Religionsedict", bestond voor hem geen uitzicht op een gewoon hoogleraarsambt, zoodat hij in Mei 1795 zijn zwervend leven hervatte. Hij vestigde zich in September 1796 in Grauwbunderland, waar hij met het bestuur van het opvoedingsgesticht te Reichenau werd belast. Hier schreef hij de „Geschichte des Freistaats der drei Bünde im hohen Ratien" (1798, 2de druk, 1817). Nadat het institui.t te Reichenau, dat door hem tot bloei was gebracht, in 1798 was opgeheven, werd Zschokke, die de zijde van de gematigde patriotten had gekozen, afgevaardigde voor Aarau naar het Helvetisch en Fransch Bewind, in 1799 werd hij chef van het departement van Onderwijs en regeeringscommissaris van het Helvetisch uitvoerend bewind in Unterwalden, later ook in Uri, Schwyz en Zug. Ook stichtte hij een vereeniging tot bevordering der algemeene belangen en deed den „Aufrichtiger Schweizerbote" in het licht verschijnen, een volksblad, dat grooten invloed verkreeg. In 1800 werd hij regeeringscommissaris in Wallis en regelde de zaken in Italiaansch Zwitserland (Lugano en Bellinzona). In hetzelfde jaar nog benoemde het Helvetisch Bestuur hem tot stadhouder in het kanton Bazel, waar tengevolge van dehooge grondlasten en tienden een oproerige beweging was ontstaan, die hij door een toespraak wist te bedwingen. In zijn vrije uren werkte hij aan de „Historische Denkwürdigkeiten der helvetischen Staatsumwalzung", die van 1803—1805 in het licht verschenen. Toen het Centraal Bestuur te Bern na den Vrede van Luneville toebereidselen maakte om het voormalig foederalisme te herstellen, nam Zschokke zijn ontslag en vertoefde gedurende eenigen tijd op het slot Biberstein nabij Aarau, waar hij zich aan de beoefening der wetenschap wijdde. In 1804 schonk de regeering van het canton Aargau hem het burgerrecht en benoemde hem tot lid van de bosch- en mijnbouwcommissie. In die betrekking schreef hij: „Der Gebirgsförster" (2 dln., 1804) en „Der Alpenwaldler"(1804). Door zijn „Aufrichtiger und wohlerfahrener Schweizerbote", dien hij sedert 1804 wederom in het licht deed verschijnen, en door „Des Schweizerlandes Geschichte für das Schweizervolk" (1822, 8ste druk, 1849) werkte hij krachtig mede tot de staatkundige en zedelijke hervorming

Sluiten