Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van zijn tweede vaderland. Zijn „Miszellen für die neueste Weltkunde", door hem van 1807 tot 1813 onafgebroken in het licht gegeven, onderscheiden zich door rijkdom van denkbeelden en door een schrander oordeel. Tevens leverde hij sedert 1811 het maandwerk: „Erheiterungen". Nadat hij van Biberstein naar Aarau vertrokken was (1808), stichtte hij aldaar een Vrijmetselaarsloge en in 1810 een genootschap ter uitbreiding van kundigheden. In de jaren 1813 en 1814 wist hij de opgewonden gemoederen te kalmeeren, terwijl hij tevens de rechten en vrijheden van het canton verdedigde. Inl814 werd hij in Aargau gekozen tot lid van den Grooten wetgevenden Raad. Op aandringen van Schlichtegroll, om voor de gedenkschriften der Academie te München een gedeelte der geschiedenis van Beieren te bewerken, schreef hij zijn „Geschiclite des Bayrischen Volks und seiner Fürsten" (4 dln., 1813—1818 2de druk, 1821). In 1817 en 1818 bouwde hij op den linker oever van de Aare, aan den voet van het Juragebergte, een eenvoudig landhuis, de „Blumenhalde" genaamd. Als een vervolg op de „Miszellen" verschenen in dezen tijd de „Überlieferungen zur Geschichte unsrer Zeit" (1817—1823). Ondanks zijn groote verdiensten had hij vele vijanden. Wel droeg zijn nieuw vaderland hem allerlei ambten en bedieningen op, maar toch werd hij door velen beschouwd als de man der omwenteling, als de vijand van den godsdienst en van de maatschappelijke orde en men maakte hem verdacht van den kansel, in schotschriften en in dagbladen. Als afgevaardigde van Aargau moest hij in 1833 op den Landdag te Zurich medewerken tot het besluit, waardoor het canton in twee deelen werd gesplitst. Daar het bestuur van Aargau in 1831 besloten had, dat niemand, tenzij een geboren Zwitser, staatsbetrekkingen mocht bekleeden, nam Zscholcke zijn ontslag, maar werd later bij verandering van zaken wederom tot lid van den Grooten Raad benoemd. Meer en meer echter trok hij zich terug van het openbare leven, om zich geheel aan zijn letterkundige werkzaamheden te wijden. Hij overleed den 27slen Juni 1848. In 1894 werd te Aarau een standbeeld voor hem opgericht. Een aantal van zijn verhalen verschenen als: „Bilder aus der Schweiz" (B dln., 1824—1825), als „Ausgewahlte Novellen und Dichtungen" (llde druk, 10 dln., 1874) en als „Ahrenlese" (4 dln., 1844— 1847). Zijn „Ausgewahlte historische Schriften" verschenen te Aarau in 1830 in 16 deelen, zijn „Gesammelte Schriften" aldaar van 1851—1854 in 35 deelen. Het meest verspreide werk van Zschokke draagt den titel van „Standen der Andaclit" (1809 —1816, 37ste omgewerkte druk, 1903), in het Nederlandsch vertaald door Roll onder den titel: „Uren aan den godsdienst gewijd." Zijn „Selbstschau (7de druk, 2 dln., 1877), is een soort van autobiografie. Tot zijn beste volksverhalen behooren: „Alamontade der Galeerensklave", „Die Herrnhuterfamilie", „Der Narr des 19 Jahrhunderts", „Der Abend vor der Hochzeit", „Abenteuer einer Neujahrsnacht", „Meister Jacob", „Die Branntweinpest", „Das Goldmachersdorf", „Der Freihof von Aarau" en „Addrich im Moos." Zijn „Samtliche Novellen" werden uitgegeven door Vögtlin (12 dln., 1804, een bloemlezing verscheen in 6 dln.).

Z schop au, een rivier in het koninkrijk Saksen, ontspringt aan de noord-westelijke helling van den

Fichtelberg, niet ver van de grenzen van Bohemen, stroomt noordwaarts, ontvangt de Sehma, Pöhl, Presznitz en Flöha en mondt na een loop van 105 km. uit in de Freiberger Mulde.

Zschopau, een stad in het Saksisch distrikt Chemnitz, ligt aan de rivier de Zschopau en aan den spoorweg van Chemnitz naar Annaberg. Zij bezit een Protestantsche kerk, een oud slot, een gedenkteeken voor Bismarck, een kweekschool voor onderwijzers, een weef- en vakteekenschool, een handelsschool, een rechtbank, een werkinrichting enz. Er is veel nijverheid. Het aantal inwoners bedraagt (1905) 6 810. In de nabijheid ligt de voormalige blauwververij Zschopenthal, thans een fabriek voor geweven goederen.

Zsedényi, Eduard, eigenlijk P/annschmidt, een Hongaarsch staatsman van Duitsche afkomst, geboren in 1805 te Leutschau, werd in 1833 tot volksvertegenwoordiger gekozen en trad sedert dien tijd op als een der voornaamste leden van de regeeringspartij. Op den Landdag van 1839—1840 stond hij aan haar hoofd. In 1848 werd hij „Ministerialrath" aan het Koninklijk Hof en begaf zich met keizer Ferdinand naar Innsbruck, doch keerde weldra tot het ambteloos leven terug, toen Jellasjisj de overhand verkreeg. Op de Conventie der Evangelische Augsburgsche Confessie te Kasmark kwam hij met kracht in verzet tegen het Protestantenpatent en moest deswege onderscheidene maanden in de gevangenis doorbrengen. In 1860 hervatte hij zijne staatkundige loopbaan als Hofraad in de Hongaarsche Hofkanselarij, maar legde tegelijk met den Hofkanselier baron Nicolaus Vay die betrekking neder, doch bleef van af 1865 als een der uitstekendste leden van de Deakpartij en later van de liberale partij met ij verwerkzaam. Hij overleed den20steu Februari 1879. Ilij werd zeer gewaardeerd om zijne bekwaamheid op financieel gebied en was sedert 1875 hoofdinspecteur der Protestantsche kerk in Hongarije.

Zsig-mondy, Emil, een Oostenrijksch Alpinist, geboren den ll3"1 Augustus 1861 te Weenen, studeerde in de medicijnen en deed sedert 1874, gedeeltelijk met zijn broeder Oito Zsigmondy, vele tochten en bergbestijgingen (daaronder bijna 100 van toppen met meer dan 3 000 m.) in het geheele gebied der Alpen, van den Hochschwab tot de W. Alpen. Zijn waarnemingen publiceerde hij in „Die Gefahren der Alpen" (4ae druk, 1907). Bij een bestijging van den Meije (Pelvouxgroep) vond hij den 6den Augustus 1885 den dood. Een bloemlezing uit zijn opstellen over de bergtochten, door hem ondernomen, gaf K. Schulz uit onder den titel „lm Hochgebirge" (1890).

Zuber, Matihdus, een Duitsch dichter, geboren in 1570 te Neuburg in de Palts, werd wegens zijn buitengewone gaven aanbevolen aan den paltsgraaf Philipp Ludmg, die hem in de gelegenheid stelde om eerst te Lauingen en vervolgens te Wittenberg te studeeren. Nadat hij van een reis naar Frankrijk was teruggekeerd, werd hij tot leeraar in de dichtkunst te Salzbach benoemd, maar zijn ongebonden levenswijs deed hem die betrekking verliezen. Nu begaf hij zich naar Neurenberg, waar hij leeraar werd aan een burgerschool en in 1623 overleed. Een verzameling van zijn Latijnsche en Grieksche gedichten verscheen in twee deelen na zijn dood.

Znbli, Anibrosius Justus, een Nederlandsch

Sluiten