Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staat genoemd, en de Transvaal. Volgens den laatsten census (1911) bedraagt de bevolking 5 958 499 zielen, waaronder 1278 025 blanken (mannen 686 453, vrouwen 591 572) 4 061 082 Afrikaansche naturellen en 619 392 andere kleurlingen.

De wordingsgeschiedenis van de Unie. De staatkundige eenheid van Britsch Zuid-Afrika, door de Unie tot stand gebracht, is gegrond op een groote overeenkomst van aard der blanke bevolking en hare onderlinge afhankelijkheid op politiek, sociaal en commerciëel gebied. Zij was een geleidelijk gevolg van den oorlog van 1899—1902, waardoor de beide Bóeren-Republieken als onafhankelijke Staten werden vernietigd en koloniën werden als de andere. Maar zoodra in 1906 het Vertegenwoordigend Bestuur in de Transvaal en daarna in den Vrijstaat was ingesteld, begon de Afrikaansche partij onmiddellijk te streven naar een nauwere aaneensluiting tusschen de zelfbesturende Koloniën voornamelijk om een eind te maken aan den commerciëelen naijver, wangunst zelfs, waaronder geheel Zuid-Afrika leed. Gemeenschap van belangen, krachtige bevordering van binnenlandschen handel en nijverheid, al vroeger steeds het besliste oogmerk der Zuid-Afrikaansche Republiek, zou, zoo meende men, een einde maken aan de verdeeldheid, die deverschillende Koloniën van elkaar vervreemdde. Onder de leiding van den Transvaalschen Premier, Generaal Louis Botha, en den Kolonialen Secretaris, Generaal J. C. Smuls, breidde zich de beweging spoedig uit. Zij ontving dadelijk grooten steun in den Vrijstaat door het toetreden van President Steyn. De leiders hadden zich ook de medewerking van de oppositie in het Transvaalsche Parlement weten te verzekeren, zoowel als die in de andere Koloniën. De Imperiale Regeering nam een welwillende houding aan, niettegenstaande er voor een vereenigd Zuid-Afrika een grootere mate van onafhankelijkheid werd gezocht dan waarop de verschillende deelen aanspraak konden maken. Een reeks van conferenties van afgevaardigden der vier Koloniën, in de onderscheidene hoofdsteden belegd, leidde tot verwerping eener Federatie en aanvaarding der Unie-idée.

Daarop werd door de „Nationale Conventie", die in den aanvang van 1909 zitting hield in Kaapstad, een eerste ontwerp-Grondwet opgesteld, welks bepalingen bij meerderheid van stemmen werden aangenomen. De Parlementen van de Transvaal en de Oranjerivier-Kolonie keurden (April 1909) het ontwerp goed, met enkele „aanbevelingen" tot wijziging, waarvan de belangrijkste zich uitsprak tegen het voorgestelde evenredige kiesrecht. Het Kaapsche Parlement stelde een reeks van amendementen voor met betrekking tot de naturellen en verder ten doel hebbende zich het overwicht in de Unie te verzekeren. In Natal werd de kwestie van toetreding tot de Unie naar een referendum verwezen. In de zitting van de Nationale Conventie (Bloemfontein 3—11 Mei) werd het Vrijstaatsche voorstel in zake afschaffing evenredig kiesrecht aangenomen, voor wat betreft het Lagerhuis; de Kaapsche amendementen werden bijna alle verworpen. Hierop nam de Nationale Conventie de Grondwet met algemeene stemmen aan, ook met die der afgevaardigden van Rhodesia, die informeel aan de conferenties hadden deelgenomen. De ontwerp-grondwet bepaalde, dat „twee of meer" koloniën zich onder hare bepalingen zouden kunnen vereenigen. Natal, waar men vreesde

voor een overheersching van het Hollandsch sprekende element, gaf zich daardoor, doch slechts noode, gewonnen. Het vooruitzicht echter te worden geïsoleerd dwong ook deze kolonie tot toegeven; bij Referendum werd (12 Juni 1909) met 11121 tegen 3701 stemmen ten gunste van de Unie besloten. In de ontwerp-grondwet was verder met toestemming van de Imperiale autoriteiten in ZuidAfrika, voorziening gemaakt voor de inlijving van de naturellen-gebieden, welke onder het direkt gezag van de Kroon stonden. Een representatieve deputatie werd naar Londen gezonden om zich met de Imperiale Regeering over enkele verschilpunten te verstaan. Daarop werd de Grondwet aan beide Huizen van het Parlement voorgelegd en zonder wijziging aangenomen (Augustus 1909) en de Unie der vier Koloniën op 3^ Mei 1910 in Zuid-Afrika geproclameerd.

De Unie-Grondwet. Het wetgevend gezag in de Unie is gevestigd in een Parlement, bestaande uit een Volksraad of Lagerhuis (zittingsduur 5 jaar) en een Senaat (zittingsduur 10 jaar). Zoolang het Unieparlement geen nieuwe kieswet aanneemt, worden de Volksraadsleden gekozen onder de wetten, van kracht in de verschillende Koloniën bij het tot stand komen der Unie. De Kaapkolonie zendt 51 leden, Natal 17, Vrijstaat 17 en de Transvaal 36 leden. De Kaapsch gekleurde kiezers, ten getale van ongeveer 15 % van het totaal, blijven, zoolang zij in deze provincie wonen, stemgerechtigd. Verkiesbaar zijn alleen personen van „Europeesche afstamming", welk onzeker begrip niet nader is omschreven. Naar verhouding de volwassen mannelijke bevolking toeneemt, worden aan de vier provincies meerdere zetels toegewezen, tot een groot totaal van 150; de volkstelling vindt elke 5 jaar plaats (laatstelijk 1911).

De Senaat telt 40 leden. Acht worden benoemd door den Gouverneur-Generaal in Rade (d. w. z. met advies en consent van het Unie-ministerie). Van de overige 32 worden 8 door elke provincie gekozen en wel voor de eerste maal door de bestaande Parlementen, en later door vergaderingen, gevormd door de leden voor de betrokken provincie in den Unie-Volksraad en de leden van den Provincialen Raad. De wetten, door het Lagerhuis aangenomen, zijn onderworpen aan de goedkeuring van den Senaat, die ook recht van amendement heeft, uitgezonderd bij wetten van financiëele strekking. Wanneer de beide Huizen niet tot overeenstemming kunnen komen, wordt over de geschilpunten in een vereenigde zitting bij gewone meerderheid van stemmen beslist. Ook voor eenige speciale onderwerpen wordt een vereenigde zitting vereischt en de beslissing dan verkregen door 2/3 van het totaal der leden (ongeacht het aantal afwezigen). Deze onderwerpen betreffen: a. De kiesbevoegdheden van gekleurden in de Kaapkolonie en in de andere Provinciën, b. wijziging in de gelijkheid der rechten der beide talen in de Unie, c. verandering in de samenstelling van den Senaat voor 31 Mei 1920, en d. herziening der verdeeling van de Volksraadszetels in de Provinciën. Behoudens deze uitzonderingen is de wetgevende macht van de volstrekte meerderheid onbeperkt, ook wat betreft het wijzigen der Grondwet. Wetten welke wijziging brengen in de kwalificaties van kiezers en Volksraadsleden, indeeling van kiesdistricten en samenstelling van Volksraad kunnen eerst in werking treden nadat de Kroon haar fiat heeft verleend.

XVI

34

Sluiten