Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1907 was Zuid-Australië met het Noordelijk Territorium of Noord-Australië (zie aldaar) vereenigd. De oppervlakte van den staat bedraagt 984 330 v. km. De kust, die in het W. tot de Groote Australische Golf behoort, is woest en onvruchtbaar. In het O. vindt men 2 diep in het land indringende baaien, de Spencergolf en de Golf van Sint Vincent. Voor de Golf van Sint Vincent ligt het Kangoeroeeiland (zie aldaar). Bij Kaap Jervis, de zuidpunt van het schiereiland Hindmarsch, aan den oostelijken mond van de Golf St. Vincent, wendt zich de kust eerst oostwaarts en vormt ten zuiden tot aan Kaap Bernoulli de Encounterbaai, op wier achtergrond het groote, met de zee verbonden Alexandrinameer ligt, waarin bij Wellington de Murray uitmondt.

Het zuidoostelijk gedeelte van het land is bergachtig. Deze bergstreek bestaat uit de van Kaap Jervis aan de Golf van St. Vincent tot aan de vlakten ten zuiden van de Coper-Creek noordwaarts loopende bergketens, die de namen dragen van Mount Lofty en Flinders Range, wier toppen de hoogte van 1000 m. niet te boven gaan. In het zuidelijk gedeelte omsluiten boschrijke bergen mild besproeide vruchtbare dalen, ook het kustland aan de Golf van St. Vincent en de vlakten nabij de Murray alsmede in het verre zuidoosten het Mount-Gambierdistrikt onderscheiden zich doorhun vruchtbaarheid. De bergen van de Mount Lofty en van den Flinders Range bestaan hoofdzakelijk uit zandsteen, leisteen en kalksteen. De woeste, sterk gekloofde Gawier Range, die noordwaarts aan het schiereiland Eyria grenst, bestaat uit graniet, verder vindt men prachtig rood graniet in het Barrossadistrikt ten noorden van Adelaïde en aan den noordelijken oever van de Encounterbaai. Basalt komt voor bij den Mount Arden ten noord-noordoosten van Port Augusta, in het gewest der zoute binnenlandsche meren en vooral in de nabijheid der uitgedoofde vulkanen in het Mount-Gambierdistrikt, waar zich tevens prachtige druipsteengrotten bevinden. In het noordelijk en vooral in het westelijk gedeelte is het land droog en dor en bestaat uit zandige en steenachtige vlakten. Zuid-Australië heeft groot gebrek aan water. Behalve de Murray bezit zij geen enkele permanente rivier want de rivieren, die in de Eyre, de Torrens, de Frome, de Blanche en andere zoute moerassen van het binnenland uitmonden, blijven wel eens jarenlang droog. Bij het Eyremeer vindt men echter een aantal bronnen, ook door het boren van Artesische putten tracht men in het watergebrek te voorzien.

Het klimaat is zacht en gezond. Gedurende een derde deel van het jaar waaien er koele, vochtige zuidwestenwinden. De regentijd valt tusschcn het midden van Mei en het begin van October. Van laatstgenoemde maand af tot aan Februari, de warmste maand, stijgt de temperatuur. De hoogste temgeratuur in Februari bedraagt 45° C. De Julitemperatuur beweegt zich tusschen 19° en 2 °C. De flora en fauna komen in hoofdzaak overeen met die van overig Australië. Het aantal inwoners bedraagt (1908) 392 431; in 1908 vertrokken 18 250 personen na8r het buitenland, terwijl zich 17 041 personen in Zuid-Australië vestigden. De vroeger zeer sterke landverhuizing naar dezen staat is in de laatste jaren afgenomen. De meeste inwoners belijden den Protestantschen godsdienst. Het voornaamste^middel van bestaan is de landbouw. Tarwe is het hoofdprodukt, in 1907—1908 werd er van 1 850 000 acres

20 720 000 bushels geoogst, waarvan 17 190 000 bushels, ter waarde van £ 3 438 000,'voor den uitvoer waren bestemd. De voornaamste produkten zijn verder: rogge(1806: 491 246bushels), gerst(896 166 bushels), haver (398 866 ton), aardappelen (22 277 ton) en wijn (2 441 504 gallons). De bosschen beslaan een oppervlakte van 13 655 acres, de oofttuinen van 8 379 acres en de boomkweekerijen van 18 199 acres. In 1907 bestond de veestapel uit 206 633 paarden, 325 774 runderen en 6 624 941 schapen. Er werd in 1906 146 892 baal wol verscheept. De voornaamste delfstof is koper; in het begin van de 19de eeuw daalde de koperproduktie aanmerkelijk, na 1906 kwam er echter een opbloei. In dat jaar werd er 9 008 ton koper ter waarde van £ 763 377 geproduceerd. Verder leverde de mijnbouw 13 961 ounces goud (waarde £ 58 453), 75 226 ton ijzererts (waarde £ 33 852) en 55 000 ton zout (waarde £ 27 500). Op het Yorkeschiereiland heeft men belangrijke phosfaatlagen ontdekt. Verder komt er petroleum voor. Steenkool treft men er niet aan. De nijverheid heeft zich in de laatste j aren snel ontwikkeld; men vindt er een aantal korenmolens, fabrieken voor landbouwwerktuigen, leerlooierijen, bierbrouwerijen, tichelsteenfabrieken enz. In 1907 bedroeg de invoer £ 11231 470, de uitvoer £ 13 778 537. De voornaamste uitvoerprodukten waren: wol, tarwe, tarwemeel, en koper. In 1908 liepen 1341 schepen van 3 049 494 registerton de havens binnen, terwijl 1333 schepen van 3 056 654 registerton vertrokken. De handelsvloot bestaat (1906) uit 207 zeilschepen van 19 321 registerton en 101 stoomschepen van 37 673 registerton. In 1908 waren 3128 km. spoorweg in exploitatie. Er is een lijn ontworpen van Port Augusta naar Kalgoorlie in West-Australië. De groote telegraaflijn van Adelaïde dwars door het vasteland naar PortDarwin inNoordAustralië heeft door een kabel naar Java aansluiting aan de kabels naar Europa, Oost-Azië en NoordAmerika. Er is een universiteit te Adelaïde; verder vindt men er 4 colleges, een mijnbouwschool, 277 openbare, 431 provisorische en 217 particuliere scholen. De inkomsten bedroegen in 1909 £ 3 551189. de uitgaven £ 3 259 417. Aan het hoofd van den staat staat een gouverneur, die door Engeland benoemd, maar door Zuid-Australië betaald wordt. Hij wordt ondersteund door 7 ministers. Het Hoogerhuis, waarin de leden 12 jaar zitting hebben, telt 24, het Lagerhuis 54 voor 3 jaar gekozen leden. Voor de verdediging bezit de staat een militiecorps van 5247 man en een zeemacht van 127 man. De hoofdstad is Adelaïde. Het kustgebied van dezen staat werd eerst in 1803 door den Engelschen kapitein Flinders en kort daarna door den Franschen admiraal Baudin ontdekt en naar eerstgenoemde Flindersland en door laatstgemelde Napoleonsland, doch in het zuidwestelijk gedeelte Freycinetsland geheeten. Maar eerst in 1830 maakte Sturt zijn landgenooten opmerkzaam op dit gewest dat voor het stichten van een kolonie zeer geschikt zou zijn. In 1834 kwam in Engeland een kolonisatievereeniging tot stand, welke door verkoop van het onbeheerde land een landverhuizersfonds bijeenbracht, waardoor het mogelijk werd, het land aldaar in cultuur te brengen. Den , i5den Augustus 1834 werd een Parlementsbesluit uitgevaardigd, dat Zuid-Australië tot een Britsche provincie verhief, een uitvoerende commissie benoemde en de kololnisatie van gedeporteerde misdadigers verbood. De eerste landverhuizers met den

Sluiten