Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het meer werd herhaaldelijk overstroomd, vooral onder den invloed eener positieve niveauverandering, terwijl het meer door afslag der moerassige oevers steeds grooter werd. Zoo vereenigde het zich met andere, naburige meren en plassen, en kreeg, ondersteund door telkens terugkeerende hooge watervloeden, sedert de llde eeuw een steeds grootere oppervlakte, totdat de oeverbewoners sedert omstreeks 1300 aan verdere uitbreiding paal en perk begonnen te stellen door het aanleggen van dijken. Van het land, dat door het water verzwolgen werd, bleven slechts enkele stukken, de genoemde eilanden, over. Aan de kusten werd daarentegen door inpoldering veel land gewonnen, waardoor de omvang der Zuiderzee steeds kleiner werd. Het water kwam daardoor meer tot rust en het door de rivieren aangevoerde slib kon beter bezinken. Hierdoor kan zoowel de vlakke bodem van de zuidelijke kom verklaard worden,. alsook dat deze in hoofdzaak uit klei bestaat.

Plannen tot droogmaking. Na de goed geslaagde droogmaking van de Zuidpias en de Haarlemmermeer ontstond spoedig het denkbeeld ook de Zuiderzee in land te veranderen. Van den eenen kant toch kostte het onderhoud der dijken veel geld, van den anderen kant leverde de vischvangst lang niet meer zulke voordeelen op als vroeger en had de zee als groote scheepvaartweg reeds lang haar beteekenis verloren. Daarenboven kon op deze wijze de bebouwbare oppervlakte van ons land met een groot terrein zeer vruchtbaren grond vergroot worden. Reeds in 1848 verscheen een ontwerp tot indijking van een deel der Zuiderzee van ll7. A. Froger, maar eerst door het werk van den waterstaatsingenieur B. P. G. van Diggelen werd de aandacht voor goed op het vraagstuk gevestigd, en sedert is het aan de orde gebleven. Een nieuw ontwerp gaf J. A. Beyerinck in 1866, dat echter evemnin gevolgen had, als dat van F. J. Stieltjes is 1872. Ook het ontwerp, in 1877 door de Regeering zelf (ministerie Heemskerk) ingediend, leidde tot niets, evenmin het voorstel in 1882 door den heer Buma bij de Tweede Kamer ingediend. Alleen werd door dit laatste voorstel de zaak weder te berde gebracht en heeft het mede aanleiding gegeven tot de oprichting der Zuiderzeevereeniging in 1886, die zich tot taak stelde het vraagstuk wetenschappelijk te doen onderzoeken en daarna een plan te ontwerpen. De onderzoekingen werden door haar technisch adviseur, den ingenieur C. Lely, in een aantal nota's openbaar gemaakt, alsmede in een paar andere geschriften. Volgens de plannen der Zuiderzeevereeniging zou in de eerste plaats een afsluitdijk moeten gebouwd worden van de kust van Noord-Holland over het eiland Wieringen naar Piaam aan de Friesche kust en daarna zouden ten Z. van dien dijk vier groote stukken worden ingepolderd, n.1. die plekken, waar de bodem voldoende vruchtbaar is. Daarop werd in 1892. op initiatief van den inmiddels als minister opgetreden Lely, de zaak aan een staatscommissie in handen gesteld, die zou onderzoeken inhoeverre deze plannen aanbeveling verdienden. In het verslag, dat zij in 1894 uitbracht, werden deze in hoofdzaak overgenomen, doch in bijzonderheden iets gewijzigd. Ook zou het werk van staatswege behooren te geschieden. De vier in te polderen stukken (zie de afb.) zijn: de Noordwestelijke polder, 21 700 H. A. groot, tusschen Wieringen en Medemblik, de Zuidwestelijke

polder, 31 520 H. A., tusschen Enkhuizen en Amsterdam, de Zuidoostelijke polder, 107 760 H. A., tusschen Weesp en de IJselmonding, en de Noordoostelijke polder, 50 850 H. A. van Blokzijl, over Urk naar de Lemmer, samen dus 211 830 H. A., waarvan ^ 195 000 vruchtbare grond. Het tusschen deze inpolderingen overblijvende water, ter grootte van 145 000 H.A., zou een meer vormen, het IJselmeer, bestemd om zoowel het water van de oude en nieuwe polders, als van de rivieren, die thans in de Zuiderzee loozen, op te nemen, terwijl het zelf door sluizen met de zee in verbinding zou staan. De kosten van het geheele werk, met inbegrip van verdedigingswerken, schadeloosstelling aan de visschers enz., werden geraamd op 189 mill. gld., de duur van het werk op 33 jaar.

In 1901 werd door den weer als minister opgetreden Lely een wetsontwerp ingediend voor het maken van een afsluitdijk en de droogmaking van den Noordwestelijken en den Zuidwestelijken polder. Het nog in hetzelfde jaar opgetreden ministerie Kuyper nam dit wetsontwerp terug en liet de zaak rusten. In 1907 echter werd door het ministerie de Meester, waarin prof. Iiraus, als minister van Waterstaat zitting had, een nieuw voorstel ingediend, dit maal van minder ver gaande strekking. Alleen de Noordwestpolder zou worden ingedijkt, zonder voorafgaande afsluiting van de Zuiderzee; van den eventueelen afsluitdijk zou alleen het eerste stuk: Noord-Hollandsche kust-Wieringen worden uitgevoerd. Ook dit plan kwam niet tot uitvoering, daar nog in 1907 het ministerie de Meester moest plaats maken voor het tegenwoordige ministerie Heemskerk.

Zuiderzee, Departement van de, is de naam van een der departementen, waarin Nederland ten tijde der Fransche overheersching was verdeeld (1811—1814). Het bevatte bijna geheel Noord-Holland, uitgezonderd Vlieland en Terschelling, een klein deel van Zuid-Holland, bijna geheel Utrecht en enkele westelijke uithoeken van de Veluwe.

Zuiderzeevereeniging-, gevestigd te Amsterdam, heeft ten doel het instellen van een volledig en grondig onderzoek naar de wijze, waarop en de middelen, waardoor een afsluiting en latere geleidelijke drooglegging van de Zuiderzee wenschehjk en uitvoerbaar is. Het algemeen bestuur bestaat uit 36 leden, uit wier midden 9 leden worden benoemd, die te zamen het dagelijksch bestuur uitmaken. In 1898 werd door haar uitgegeven een werk, getiteld: „De economische beteekenis van de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee", waarvan in 1901 een tweede, vermeerderde druk verscheen. Het strekt tot verduidelijking en verdediging van het Technisch Ontwerp door de vereeniging in 1802 aangeboden en daarna door een Staatscommissie onderzocht en in hoofdtrekken goedgekeurd. Schrijvers van dit werk waren H. C. van der Houven van Oordt en mr. G. Vissering. In de volgende jaren werden nog eenige geschriften door haar uitgegeven, zoowel om haar denkbeelden te verdedigen, als om de belangstelling in het groote plan gaande te houden.

Zuid-Georg;ië is de naam van een eiland ten O. van Kaap Hoorn op 54° Z. Br. gelegen. Het heeft een lengte van 170 km., een breedte van 25 km. en een oppervlakte van 4075 v. km. Het verheft zich steil uit de zee en is met een gletschergebergte van

Sluiten