Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3 000 m. hoogte bedekt. De gemiddelde temperatuur bedraagt 1,4° C., de temperatuuruitersten zijn -f 14° en —13,4°. Het eiland werd in 1675 door Laroche en in 1774 voor de tweede maal door Cook ontdekt. Van 1882—1883 deden leden van het Duitsche Zuidpoolstation er onderzoekingen, in 1902 leden van de Zweedsche antarktische expeditie.

Zuidhoek, Marlen Jelles, een Nederlandsch onderwijzer, geboren te Zuiderhuizen den 6den December 1737, werd reeds op zijn 17de jaar hoofd der school te Loppersum in de provincie Groningen, in 1762 onderwijzer en organist te Weener en in 1774 te Grietzijl. Hij bespeelde verschillende instrumenten en was zeer ervaren in de wiskunde, zoodat het Genootschap voor Mathematische Wetenschappen te Hamburg hem in 1766 tot lid benoemde. Hij behoorde tot de oprichters van het wiskundig genootschap: „Een onvermoeide arbeid komt alles te boven". In 1785 bedankte hij voor een betrekking te Breda, vestigde zich het volgend jaar te Groningen, waar hij les gaf in de hoogere rekenkunde, werd in 1789 hoofd der School te Veendam en secretaris van het aldaar gevestigde departement der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen en overleed den 21sten Juli 1817. Hij schreef: „Rekenkundig mengelwerk", „Rekenkundige bijzonderheden", „Weegkunst met practijk", „Meetkundigrekenboek" (3de druk, 1810) en „Arithmethica of rekenkunst voor beginnende leerlingen" (3de druk, 1810).

Zuid-Holland (zie de kaart) is met NoordHolland het belangrijkste gewest van ons land. Eeuwenlang met N. Holland tot één gebied vereenigd, heeft dit steeds de hoofdrol in onze geschiedenis gespeeld, en ook heden ten dage neemt het de eerste plaats in als hoofdzetel van het bestuur des lands, als middelpunt vanhandel en scheepvaart, zoowel als van het intellectueele leven. Zuid-Holland beslaat een oppervlakte van 3010,78 v. km.; naar de grootte neemt het slechts de vijfde plaats in, naar de bevolking daarentegen de eerste.

Ligging en gr enz en. De ligging biedt dezelfde voordeelen aan als bij N. Holland (zie aldaar), is alleen nog gunstiger door de nabijheid van Engeland en het bezit van den mond van den Rijn, de belangrijke verbindingsweg met het Duitsche achterland.

In het W. grenst de provincie aan de Noordzee, in het N. aan N. Holland, in het O. aan Utrecht en Gelderland, in het Z. aan N. Brabant en Zeeland. Hier bezit het natuurlijke grenzen in Boven- en Nieuwe Merwede, Hollandsch Diep, Volkerak, Krammer en Grevelingen, evenzoo in het W. in de Noordzee, terwijl daarentegen de N. en O. grens zuiver staatkundig zijn en in den loop der eeuwen menige wijziging hebben ondergaan.

Bodemgesteldheid. Met N. Holland heeft deze provincie de lage ligging gemeen, ja zij bevat zelfs in sommige droogmakerijen (Zuidpias- en Prins Alexanderpolder) de laagste plekken van geheel Nederland (5 a 6 m. A. P.). Boven den zeespiegel liggen alleen de duinen en geestgronden en een deel der eilanden. Er vallen n. 1. in deze provincie twee deelen te onderscheiden, die nog al wat verschillen vertoonen: de eilanden en het vasteland. De eerste zijn, evenals de Zeeuwsche eilanden, ontstaan door aanslibbing in de riviermonden en zeearmen en hebben in den loop der tijden heel wat vormveranderingen door aanwinst en verlies van

i'and ondergaan. Zoo lag hier eenmaal in het O. de Groote Waard, tot 1421 een stuk vasteland met de steden Dordrecht, Geertruidenberg en Zevenbergen en vele dorpen en kasteelen. Deze waard, de bakermat van Holland, bestond uit laagveen, besloeg een oppervlakte ongeveer zoo groot als l/4 der tegenwoordige provincie Utrecht, was omgeven door een dijk en werd doorsneden door de eigenlijke Maas. Den 18den November 1421 bezweek de dijk ten Z. van Strijen voor het geweld der golven en werd overstroomd, waarbij 72 parochiën te gronde gingen en meer dan 100 000 menschen het leven zouden verloren hebben. Een groote binnenzee, de Bieschbosch of het Bergsche Veld nam eeuwen lang de plaats in van de vroeger welvarende landstreek, de stad Dordrecht werd een eiland, de twee andere werden kuststeden. Later werd het grootste gedeelte van het verloren terrein terug gewonnen en ook elders had aanslibbing en inpoldering plaats. De jongste eilanden — op enkele stukjes na — zijn Beierland, Goeree—Overflakkee, uit de 15de—18de eeuw, en Rozenburg uit del6de—19de eeuw. De jongste inpolderingen zijn die van Tien Gemeten, waarvan het oudste deel in 1743, het laatste in 1860 bedijkt werd, en van den polder Zuid-Blankenburg aan den Z. O. hoek van Rozenburg, die in 1875 werd aangewonnen. De Z. Hollandsche eilanden, alle deltavormingen, zijn tegenwoordig: Rozenburg, IJselmonde, Dordsche eiland, Beierland of Iloeksche Waard, Tien Gemeten, Voorne-Putten met Welplaat en Goeree—Overflakkee. Al deze eilanden zijn verdeeld in polders, waarvan de oudste onder, de jongere boven A. P. liggen. Aan de zeezijde door duinen beschermd, verheffen zich aan de overige zijden zware, met gras begroete buitendijken, terwijl een net van binnendijken de eilanden doorsnijdt. Met uitzondering van Goeree—Overflakkee, moet op al deze eilanden — anders dan in Zeeland — het water op kunstmatige wijze, door bemaling, geloosd worden.

Het vasteland is eveneens een poldergebied, dat tegen de zee door een duinenrij beschermd wordt, tegen de groote rivieren door zware dijken. In het Z. is de duingordel evenwel zóó smal, dat men door de Delftlandsche Hoofden en een slaperdijk het Westland heeft moeten beschermen, terwijl ook elders, zooals bij Scheveningen en tusschen Katwijk en Noordwijk bescherming der duinenrij noodig bleek. Daar buiten de duinen en geestgronden de bodem zich nergens boven den zeespiegel verheft, moest het land voor de waterloozing in talrijke polders verdeeld worden. Bij alle is bemaling onmisbaar, bij sommige zelfs dubbele of drie-dubbele bemaling. De wegen loopen in dit waterland over de dijken en kaden, en de meeste dorpen, zelfs steden als Dordrecht en Rotterdam, zijn op verbreedingen daarvan ontstaan. Tot loozing van het overtollige water is het land in een aantal boezemgebieden verdeeld: de belangrijkste daarvan zijn: Rijnland, de grootste boezem van ons land na den Frieschen boezem, die het gebited omvat van Gouda tot aan de IJpolders; Amstellands boezem, waarop slechts een klein deel van Z. Holland afwatert (tot aan de Mije); Woerdens boezem, waartoe ook een deel van W. lijk Utrecht behoort; de boezems van Prins-Alexander — en Zuidplaspolder, gevormd door een ringavart, waarin het water doormiddel van stoomgemalen wordt uitgeslagen; de Rotteboezem, een der

Sluiten