Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kleinste van de provincie; en de Schieboezem, ook Delflandsboezem geheeten, die door 11 sluizen met het buitenwater in verbinding staat, maar, daar deze tevens schutsluizen zijn, niet altijd voldoende kan loozen, zoodat 's winters de polders hier dikwijls onder water staan.

Grondsoorten. Onder verwijzing naar de artikelen Nederland, Ontstaan vanden bodem, en Noord-Holland, herinneren wij er slechts aan, dat Zuid-Holland tot de jongste gedeelten van ons land behoort, ontstaan in het groote haff, dat zich eenmaal in het W. uitstrekte. De duinen bestaan uit zand, de daarachter gelegen geestgronden uit zand met veen vermengd en doorzwarebemesting zeer vruchtbaar gemaakt. In de duinen liggen geen plaatsen, daarvóór visschers- en badplaatsen, zooals Scheveningen, Katwijk, Noordwijk, Kijkduin en Terheiden; de geestgronden worden bewoond door een bevolking, die in warmoezerij, vruchtenteelt en bloembollenteelt haar hoofdmiddel van bestaan vindt. Al het overige bestaat uit laagveen en klei, de laatste te onderscheiden in: rivierklei langs de tegenwoordige en voormalige rivieren, jongere zeeklei, behalve op de eilanden, in een groot deel van Delfland, en oude of blauwe zeeklei, op den bodem der vele droogmakerijen, hoewel sommige dezer laatste, zooals Prins-AIexanderpolder en Zuidplas ook grootendeels uit laagveen bestaan. De talrijke plassen, door uitbaggering van het laagveen ontstaan, werden later drooggelegd. De oude polders, koepolders, zooals ze hier genoemd worden, zijn veel kleiner dan in N. Holland. Daarom had men hier voor de wegen genoeg aan de kaden tusschen de polders, terwijl men in N. Holland de polders met wegen moest doorsnijden. Langs de wegen liggen de langwerpige streek- of dijkdorpen, in Z. Holland dus niet in, maar tusschen de polders.

Wateren. Hierbij vallen open en gesloten wateren of kanalen te onderscheiden. Tot de eerste behooren: de Nieuwe Maas (van Krimpen tot de oostpunt van Rozenburg), het Scheur en de Nieuwe Waterweg (de tegenwoordige uitmonding derNieuwe Maas), de Noord, Beneden-Merwede, Oude Maas, Dordsche Kil, Spui, Nieuwe Merwede, Hollandsch Diep, Volkerak, Krammer en Grevelingen. Hoewel deze wateren naar den uiterlijken, horizontalen vorm met rivieren overeenstemmen, zijn het feitelijk getijde wateren (zie aldaar), terwijl sommige, zooals Volkerak, Krammer en Grevelingen zelfs meer het karakter van zeegaten vertoonen. Werkelijke rivieren in deze provincie zijn alleen de BovenMerwede, Lek en Hollandsche IJsel (van Gouda af).

Zooals overal in het polderland is het aantal kanalen zeer groot; naast deze afwateringskanalen vallen hier echter een aantal te noemen, die voor de scheepvaart van groot belang zijn en, ten deele althans, ook daartoe in de eerste plaats gegraven werden, voor zoover zij niet uit voormalige riviertjes zijn ontstaan. Tot deze kanalen behooren: het Zederikkanaal van Vianen naar Gorkum, thans een deel van het Merwede-kanaal, met de Oude Zederik als zijtak naar Ameide; het Kanaal van Steenenhoek van Gorkum naar de Beneden Merwede dient voor betere afwatering van de Linge; Gouwe, Aar en Drecht vormen een deel van één der waterwegen tusschen Rotterdam en Amsterdam (zie NoordHolland), evenals Schie, Vliet en Trekvaart van Leiden naar Haarlem van een anderen scheep¬

vaartweg tusschen beide handelssteden; de Zijl verbindt de ringvaart der Haarlemmermeer door de Kagerplassen met den Ouden Rijn bij Leiden; de Heimanswetering gaat van den Ouden Rijn naar het Brasemer Meer, vanwaar de Oude Wetering naar de ringvaart voert; de Rotte was eenmaal een open riviertje en is thans een boezemwater; verder kunnen nog genoemd worden de trekvaart van Delft naar Vlaardingen met een zijtak naar Maassluis, de Loosduinsche trekvaart naar 's Gravenzande en de Trekvliet en het Scheveningsch kanaal, naar 's Gravenhage en Scheveningen, welke alle in open verbinding staan met de Schie, behalve het kanaal van Loosduinen, dat er door een schutsluis van gescheiden is; het Kanaal van Katwijk brengt het water van den Ouden Rijn met behulp van groote sluizen in zee.

B evolking. Evenals in N. Holland woonden in deze provincie bij het begin van den historischen tijd Germaansche stammen en wel in het Z. de Kaninefaten, verder noordwaarts de Friezen. Als mondingsgebied der groote rivieren en door zijn ligging tegenover Engeland was de streek voor de Romeinen van veel belang, die er dan ook spoedig na hun komst sterkten bouwden en dijken en wegen aanlegden. Zoo verrees aan den Rijnmond Lugdunum Batavorum (Brittenburg), op de plaats van het tegenwoordige Leiden Praetorium Agrippinae, vanwaar een weg over plaatsen bij Alfen en Woerden naar Trajectum (Utrecht) liep. Een andere weg ging van Lugdunum over Forum Hadriani (Voorburg) naar de Maas en van hier naar Novio magus (Nijmegen). De beschavende invloed van de Romeinen op de bewoners ging ten deele weer verloren ten tijde van de Groote Volksverhuizing. Wel bleven ook na dien tijd de Friezen in het kustgebied gevestigd, van het Z. uit drongen evenwel Franken in Z. Holland door, zoodat dit gewest later tot het Friso-Frankische taalgebied behoorde, terwijl Alblasserwaard en Vijfheerenlanden zelfs zuiver Frankisch werden. Sedert de 9de eeuw kreeg ook dit gewest zijn aandeel van de plundertochten der Noormannen, die zelfs een tijdlang hier heerschappij uitoefenden en misschien de Burg te Leiden hebben gesticht. In den tijd van den Tachtigjarigen Oorlog vestigden zich vele Walen en Vlamingen in Holland, terwijl ook de vijandelijke legers, uit Spanjaarden en andere natiën samengesteld, op de samenstelling der bevolking invloed hadden. Dit was eveneens het geval met de Fransche réfugiés, terwijl in den jongsten tijd de handel vele vreemdelingen, vooral Duitschers, naar de grootere steden der provincie bracht.

Dat Zuid-Holland de dichtst bevolkte provincie van geheel Nederland is met gemiddeld 380 inwoners per v. km., is voor een aanzienlijk deel het gevolg van de groote steden, die men er vindt. Tot de dichtst bevolkte streken beh ooren, afgezien van deze steden, de geestgronden, waar gemeenten met 400— 700 bewoners per 100 H. A. voorkomen. Dicht bevolkte gemeenten (100—200 per 100 H. A.) vindt men eveneens ten Z. van den Ouden Rijn langs de Gouwe tot Gouda, evenals van Leiden tot Woerden langs den Rijn en van Oudewater af langs den Hollandschen IJsel. Terwijl zij in dit laatste gebied haar oorzaak vindt in scheepvaart en nij verh eid, is zij in de andere streken een gevolg van de vruchtbaarheid des bodems en de daarmee samenhangende bestaans-

Sluiten