Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een „Instrumentum novum sive horologium autobaram", om de lengte op zee en op het land te vinden (1749), waarvan hij in 1752 een nadere verklaring gaf, een krijgskundig plan tot betere verdediging van vestingen en een „Plan d'un bateau, avec lequel on peut aller au fond de la mer"(een duikerklok). In 1770 werd hij op zijnverzoekwegenshoogen leeftijd als stadsdoctor ontslagen. Hij overleed den 15den April 1780.

Zumblsi, Bonaventura, een Italiaanschkritikus, geboren in 1840 te Cosenza, volgde in 1879 De Sanctis op als hoogleeraar in de letterkunde aan de universiteit te Napels, welke betrekking hij tot 1902 bleef bekleeden. In 1905 werd hij senator. Ofschoon hij zelf weinig geschreven heeft, heeft hij door zijn kritieken en letterkundige opstellen een grooten invloed gehad op de Italiaansche letterkunde. Zijn voornaamste werk is: „Studi sul Leopardi"(1868— 1904); verder scheef hij belangrijke monografieën over Petrarca (1878—1895) en Monti (1886—1894). Hij heeft een diepgaande studie gemaakt van- de letterkunde van verschillende Europeesche volken. Hierover schreef hij: „Studi di letterature straniere" (1893),waarin o.a. studies over Rabelais, Milton, Cervantes, Viclor Hugo enz. voorkomen.

Zambo, een plaats en militaire post in Portugeesch O. Afrika (Mozambique), dicht bij de grens met Britsch-Rhodesia op den N.lijken oever van de Zambesi en 405 km. boven Tete gelegen, bezit een oud fort, dat van 1780—1861 verlaten was en is telegrafisch met de kust verbonden.

Zumbo is ook de naam van een landschap in N.O. Rhodesia.

Zumbusch. Iiaspar von, een Duitsch beeldhouwer, geboren den 23sten November 1830 te Herzebrock in Westfalen, werd in 1848 een leerling van Halbig te München en begaf zich in 1858 vandaar naar Rome. Na zijn terugkeer behaalde hij in 1863 den prijs met zijn ontwerp-gedenkteeken ter eere van Friedrich Wilhelm 111 te Keulen en werd vervolgens meer algemeen bekend door een borstbeeld van Lodewijk II van Beieren. Ook verwierf hij voor zijn ontwerp van een nationaal gedenkteeken ter eere van Maximiliaan II van Beieren den prijs. Dit gedenkteeken, dat uit 5 reusachtige figuren bestaat, werd onthuld in 1875. In dezen tijd vervaardigde hij tevens, op verzoek van koning Lodewijk, een aantal marmeren statuetten, personen uit de muziekdrama's van Wagner voorstellende, verder onderscheiden borstbeelden, een standbeeld van graaf Rumford in de Maximiliaanstraat te München, het praalgraf van prins August van Pruisen in het park van het kasteel Bellevue te Berlijn, het praalgraf van de vrijvrouwe von'Fraunhofen, het praalgraf van de familie Sager te München enhetkrijgsgedenkteeken te Augsburg (onthuld in 1877). In 1873 werd hij naar Weenen geroepen en ontwikkelde er een buitengewone werkzaamheid, zoowel in de betrekking van leeraar als in die van scheppend kunstenaar. Tot de belangrijkste werken, die hij in dezen tijd vervaardigde, behooren:hetgedenkteekenvoor5eettoi;«i (1880 onthuld), dat voor Maria Theresia (1888), voor Radetzky (1892), Billroth (1897) en het ruiterstandbeeld van aartshertog Albrecht (1899), alle te Weenen. Buitendien noemen wij: het standbeeld van keizer Wilhelm voor het monument op den Wittekindsberg bij de Westfaalsche poort, het gedenkteeken voor hertog Bernhard te Meiningen en dat voor Herz te Neuren¬

berg. Van de door hem ontworpen borstbeelden noemen wij nog: die van Richard Wagner, Liszt, Moltke en keizer Frans Jozef. Ook vervaardigde hij een aantal decoratieve werken voor verschillende gebouwen.

Zumpe, Herman, een Duitsch musicus, geboren den 9dcn April 1856 te Daubenheim in de OpperLausitz, studeerde te Leipzig eerst in de opvoedkunde, doch legde zich vervolgens op de muziek toe. Van 1873—1876 vertoefde hij als leerling van Richard Wagner te Baireuth. Daarna werd hij achtereenvolgens kapelmeester te Salzburg, aan de opera te Frankfort a. d. Main, aan den stadsschouwburg te Hamburg en aan het koninklijk hoftheater te Stuttgart. In 1895 werd hij eerste dirigent van dephilharmonische concerten te München,inl897hofkapelmeester te Schwerin, inl901hofkapelmeester teMünchen en in 1902 algemeen muziekdirecteur aldaar. Hij overleed den 4den September 1903. Hij componeerde o.a. een strijkkwartet, een concertstuk voor viool, een aantal liederen, de ouverture „Max Piccolomini", de komische opera „Farinelli" enz. Verder bewerkte hij een aantal gedeelten uit de opera's van Wagner voor orkest.

Zumpt, Karl Gottlob, een Duitsch geleerde, geboren te Berlijn den 20sten Maart 1792, studeerde te Heidelberg en te Berlijn, werd in 1812 leeraar aan het Werdersche gymnasium en in 1821 professor aan het Joachimsthalsche gymnasium. In 1826 nam hij zijn ontslag, in 1827 werd hij buitengewoon en in 1836 gewoon hoogleeraar in de Latijnsche letterkunde aan de universiteit. Hij overleed te Karlsbad den 25sten Juni 1849. Zijn meest bekende werk is de „Lateinische Grammatik" (1818, 13dedruk, 1874). Verder gaf hij de werken van onderscheiden klassieke schrijvers in het licht, bijv. de „Institutiones oratoriae"(1831) van Quintilianus, dan de werken van Curtius in een kleinere en in een grootere uitgave (1826 en 1846), verder een schooluitgave (1849) en de „Orationes in Verrem" en „De Officiis" van Cicero. Daarenboven leverde hij verschillende verhandelingen, zooals: „Annales veterum regnorum et populorum"(1819, 3de druk 1842), „Decretum municipale Tergestinum"(1837), „Über den Stand der Bevölkerung und die Volksvermehrung im Alterthum"(1841), „Über den Bestand der philosophischen Schulen in Athen und die Sukzession der SchoIarchen"(1843), „Über die bauliche Einrichtung des römischen Wohnhauses"(1844, 2dedruk, 1852), „Die Religion der Romer"(1845) en „Über die persönliche Freiheit des römischen Bürgers und die gesetzlichen Garantien derselben"(1846).

Zumpt, August Wilhelm, een neef van den voorgaande, geboren den 4den December 1816 te Koningsbergen, studeerde te Berlijn in de oude letteren, werd er in 1837 leeraar aan het Joachimsthalsche, in 1851 aan het Werdersche gymnasium en in 1851 hoogleeraar aan het Friedrich-Wilhelmsgymnasium. Hij overleed den 23sten April 1877. In i840 verscheen zijn uitgave van de werken van RutiliusNamatianus, over wien hij reeds in 1837 een verhandeling had uitgegeven. Van zijn overige werken noemen wij: „Honorum gradus sub imperatoribus Hadriano et Antonino Pio"(1843), „Über die Entstehung und historische Entwicklung des Kolonats"(1843), een uitgave van de „Monumentum Ancyranum"(1845), waaraan hij later „De monumento Ancyrano supplendo"(1869) toevoegde, „Commentationes epigra-

Sluiten