Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

phicae ad antiquitates romanas pertinentes"(2 dln., 1850 en 1854). „Studia romana"(1859), „Das Kriminalrecht der römischen Republik"(4 dln.. 1865 —1869), „Der Kriminalprozesz der römischen Republik"(1871) en „Das Geburtsjahr Christi"(1869). Verder zijn de beide laatste deelen van de „Römische Geschichte" van Ihne (1890) voor het grootste deel aan zijn nalatenschap ontleend.

Zumsteeg1, Johann Rudolf, een Duitsch componist, geboren den 10den Januari 1760 te Sachsenflur in het Odenwald, bezocht de militaire school op de Solitude bij Stuttgart, maar bepaalde zich weldra bij de muziek en componeerde onderscheiden vaudevilles, cantaten en liederen bij „Die Rauber" van S chiller, tot wiens vertrouwde vrienden hij behoorde. Hij werd violoncellist bij de hertogelijke kapel en verwierf grooten bijval door zijn compositiën bij den „Frühlingsfeier" van Klopstock, door een mis en onderscheiden balladen en liederen. In 1792 werd hij tot kapelmeester en directeur van deoperabenoemd. Hij overleed den 27sten Januari 1802. Zumsteeg was de eerste Duitsche componist, die balladen met begeleiding van piano componeerde. Tot de meest bekende behooren: „Lenore", „Des Pfarrers Toch ter von Taubenheim", „Die Büszende", „Ritter Karl von Eichenhorst" en „Ritter Toggenburg", tot zijn beste opera's: „Die Geisterinsel" en „Das Pfauenfest."

Zundert-en-Wernhout. een gemeente in de provincie Noord-Brabant, 8772 H.A. groot met (1910) 5166 inwoners, wordt begrensd door de NoordBrabantsche gemeenten Rijsbergen en Rukfen en door de Belgische gemeenten Meir, Wustwezel, Calmpthout en Essen. De bodem bestaat voornamelijk uit diluviaal zand, het vroegere hoogveen is afgegraven. Landbouw is het voornaamste middel van bestaan; verder is er eenige nijverheid. Tot de gemeente behooren de -dorpen Groot-Zundert, KleinZundert en Achtmaal, benevens een aantal buurten en gehuchten. De stoomtram van Breda naar Antwerpen loopt er door.

Zundnaaldg-eweer is de naam van een door Dreyee (zie aldaar) geconstrueerd achterlaadgeweer met naaldontsteking. Zie Handvuurwapenen.

Zunig-a, Johan, de laatste grootmeester der ridderorde van Alcantara, streed dapper bij de belegering van Malaga, Baeza en andere door de Mooren in Granada verdedigde steden, terwijl hij in het algemeen veel bijdroeg tot de verovering van dit rijk. Hij stond later zijn hooge betrekking af aan koning Ferdinand V van Castilië, die haar met de Kroon vereenigde, en begaf zich te Villanova in eenklooster, dat hij gesticht had en waar hij met andere ridders der Orde zich hield aan den regel van den heiligen Benediclus. Later aanvaardde hij, volgens den wensch des konings, den aartsbisschoppelijken zetel te Sevilla, werd in 1503 kardinaal en overleed in 1504. Hij riep Anionius Nebrissensis naar Spanje en had daardoor een grooten invloed op de wetenschappelijke ontwikkeling van zijn volk.

Zunz, Leopold, een Duitsch geleerde, geboren te Detmold den 10den Augustus 1794, ontving zijn opleiding aan het gymnasium te Wolfenbüttel, studeerde te Berlijn in de philologie en werd in 1820 leeraar aan de Duitsche synagoge aldaar. In 1824 werd hij mederedacteur van de „Spenersche Zeitung", van 1825 tot 1829 was hij tevens werkzaam als voorloopig directeur van de pas gestichte Jood-

sche gemeenteschool aldaar. Hij vertrok in 1835 als prediker naar Praag, maar keerde weldra terug naar Berlijn en werd aldaar directeur van de in 1839 gestichte kweekschool voor godsdienst-onderwijzers, aan welke school hij tot aan haar opheffing (1850) verbonden bleef. In 1845 werd hij ook lid van de commissie, benoemd door het ministerie van Eeredienst, om rapport uit te brengen over de gemeentelijke en onderwijszaken der Israëlieten in Pruisen. Hij is de schepper van de wetenschappelijke behandeling van de Joodsche of Rabbijnsche letterkunde. Het ontwerp voor zulk een studie gaf hij reeds in 1818 aan in zijn geschrift: „Etwas über die rabbinische Literatur", terwijl hij haar bevorderde in zijn „Zeitschrift für die Wissenschaft des Judentums" (1823), waarin zijn uitstekende monografie: „Raschi" werd opgenomen. In 1832 verscheen zijn uitstekend werk: „Die gottesdienstlichen Vortrage der Juden", waarin hij de „Haggada" en de voordrachten van Esra in de synagoge en de daarop volgende tot op onzen tijd volgens een wetenschappelijke methode onderzocht en in hun geleidelijke ontwikkeling schetste. Als resultaten van zijn onderzoekingen over de voor de synagoge geleverde poëzie verschenen: „Die synagogale Poesie des Mittelalters"(1855), „Die Ritus des synagogalen Gottesdienstes"(1859) en „Literaturgeschichte der synagogalen Poesie" (1865). Van zijn overige geschriften vermelden wij: „Zur Geschichte und Literatur"(1845), „Die Namen der Juden"(1836), „Die Vorschriften über die Eidleistungen der Juden"(18ö2) en „Die Monatstage des Kalenderiahrs"(1872). Zijn talrijke staatkundige verhandelingen, waarin hij voor de vrijzinnige beginselen optreedt, zijn opgenomen in zijn „Gesammelte Schriften"(3 dln., 1875—1876), uitgegeven door het curatorium van het Zunzfonds, dat hem op zijn 90sten verjaardag een feestbundel wijdde. Sedert 1839 verscheen onder zijn leiding eenBijbelvertaling, waaraan verder Arnheim, Sachs en Fürst deelnamen. Zunz overleed den 17den Maart 1886 te Berlijn.

Zapitza, Julius, een Duitsch taalgeleerde, geboren den 4den Januari 1844 te Kerpen bij Oberglogau in Opper Silezië, studeerde te Breslau en te Berlijn en promoveerde in laatstgenoemde stad in 1865 op een dissertatie, getiteld, „Praelegomena ad Alberti de Kemenaten Eckium". Hij was van 1867 —1868 lid van het koninklijk paedagogisch seminarium te Breslau en hulpleeraar aan het Matthiasgymnasium aldaar. In den daarop volgenden winter vestigde hij zich als privaatdocent aan de universiteit aldaar met een geschrift: „Verbesserungen zu den Drachenkampfen". In 1872 werd hij buitengewoon en in 1875 gewoon hoogleeraar in de NoordGermaansche talen aan de hoogeschool te Weenen en in 1876 gewoon hoogleeraar in de Engelsche taal en letterkunde aan de universiteit te Berlijn. Hij overleed aldaar den 6den Juli 1895. Hij schreef: „Rubins Gedichte kritisch bearbeitet"(1867), „Einführung in das Studium des Mittelhochdeutschen" (1868, 6de druk, 1901), „Dietrichs Abenteure von Albrecht von Kemenaten nebst den Bruchstücken von Dietrich und Wenezlan"(dl. 5 van het „Deutsches Heldenbuch", 1870), „Altenglisches Übungsbuch"(1874, 6de druk, van Schipper, 1902), „The romance of Guy of Warwick. Fifteenth century version"(1875—1876), „Cynewulfs Elene"(1877, 4de druk, 1899),„Alfrics Grammatik undGlossar"(1880), „Beowulf. Auto types with a transliteration and

Sluiten