Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hankelijk van hem, dezelfde ontdekking. Bij den Chineeschen schrijver Mao-Khöa vindt men echter in de 8ste eeuw reeds aanwijzingen omtrent het bestaan van zuurstof. Leonardo da Vinei beweerde, dat de lucht geen element was, maar twee bestanddeelen moest bevatten, omdat zij bij de verbranding en de ademhaling niet geheel verbruikt wordt. Deze opvatting ontwikkelde R. Hooke in zijn ,,Mikrogaphia" (1665) tot een tamelijk volledige verbrandingstheorie. Mayow toonde in 1669 proefondervindelijk aan, dat lucht een bestanddeel bevat, dat de verbranding van brandbare stoffen veroorzaakt; hij noemde het spiritus vitalis, aer vitalis en ook spiritus igneus en herkende het als element. Lavoisier stelde de eerste omvangrijke theorie der verbrandingsverschijnselen op. En daar de produkten van de verbranding in zuurstof dikwijls van zuren aard zijn, noemde hij het element zuurstof. In 1877 werd zuurstof door Pictet en Cailletet, later door Olczewski en Wroblewski vloeibaar gemaakt.

Zuurstofzouten Zie Zouten.

Zuurstofzuren. Zie Zuren.

Zuurzak (Anona muricata) is de naam van een boomsoort uit de familie van de anonaceeën, die in de tropen o. a. in Ned. Oost-Indië voorkomt. Deze boomen bezitten groote, fraaie bladeren, tamelijk groote, afzonderlijk staande bloemen met een aantal vergroeide vruch tbeginsels,waaruit zich vru chten ontwikkelen, die een gewicht van 2 kg. kunnen bereiken. Deze vruchten zijn zeer sappig en hebben een aangenamen, zuurzoeten smaak; ook wordt er een soort wijn uit bereid. De bladeren worden wel als thee, het weeke hout wel in plaats van kurk gebruikt.

Zuylen, Rogier Adriaan van, een Nederlandsch letterkundige, geboren te 's Hertogenbosch den3den Augustus 1806, werd in 1825 klerk ter provinciale griffie van Noord-Brabant en kwam in 1828 op de stedelijke secretarie te 's Hertogenbosch. Hij werd in 1853 redacteur der Provinciale Noord-Brabantsche en Hertogenbossche Courant en in 1857 stedelijk archivaris. In 1877 werd hij als zoodanig eervol ontslagen. Later vestigde hij zich in Den Haag, waar hij den 28sten November 1894 overleed. Van zijn geschriften vermelden wij: „De plechtige intocht van de scherpschutters van het Koninklijk gilde ter bevordering van Neerlands weerbaarheid enz." (1854), Gedenkboek der Koninklijke school voor nuttige en beeldende Kunsten, opgericht te 's Hertogenbosch in 1812 enz."(1849), „Inventaris van het groot archief der stad 's Hertogenbosch"(1860), „Inventaris der archieven van de stad 's Hertogenbosch enz."(3 dln., 1861—1873), „Naamlijst en wapenkaart der leden van de regeering,de pensionnarissen, griffiers en secretarissen van 's Hertogenbosch enz." (1863), „Het groot orgel in de Kathedraal van St. Jan in 's Hertogenbosch en het klein orgel"(1864), „Lijst der schepenen van de stad 's Hertogenbosch, benoemd van anno 1265-1794 enz." (1865) en onderscheiden bijdragen in „Noord-Brabant, wetenschappelijk tijdschrift".

Zuylen. Willem van, een Nederlandsch tooneelspeler, werd geboren te 's Gravenhage den 3den April 1847 en betrad reeds vroeg de planken, want nog vóór zijn 7de jaar kwam hij bij Hamecher te 's Gravenhage en reeds in 1855 debuteerde hij bij het door Verwoert aldaar opgerichte kindertheater in „De Bruidschat van Auvergne", „De Bloedzuigers" en

meer dergelijke stukken. Nadat in 1860 het kindertheater was opgeheven,kreeg hij een engagement bij Valois in den Kon. Schouwburg in Den Haag, en daarmede begon eerst zijn eigenlijke tooneelloopbaan met Victor Driessens als leermeester. Spoedig vertrok hij naar Amsterdam, waar hij het bij Roobol Tjasink en Peters evenmin lang uithield, waarna hij directeur regisseur van een dilettantengezelschap werd, tot hij zich in 1863 verbond aan het gezelschap van Driessens en Van Doeselaer te Antwerpen. Hier trad hij in allerlei soort stukken op en was spoedig de lieveling van het publiek, maar de zaak ging te niet en Van Zuylen keerde terug naar ons land. waar hij een vie de bohème leidde, tot hij door Ed. de Vries te Rotterdam werd geëngageerd, eerst voor kleine rollen, maar na zijn succes als Hans in „Orpheus" voor belangrijker werk. Zijn volgend succes behaalde hij als Mariquat in, „Vrienden van Ons" en van nu af ging het crescendo, eerst bij De Vries, later, toen deze naar Amsterdam vertrokken was, bij Albregt en Van Olleien. Inmiddels was Van Zuylen in 1867 gehuwd met mejuffrouw Van Dijk, en toen Albregt en Van Ollefen ook de directie van den Amsterdamschen Schouwburg aanvaardden, richtten Le Gras, Van Zuylen en J. Haspels een eigen gezelschap op, dat eerst de kleine Comedie aan den Coolsingel, later den Grooten Schouwburg bespeelde. Dit gezelschap voerde o.a. Multatulïs „Vorstenschool" en verschillende andere oorspronkelijke Nederlandsche stukken op en gaf in 1880 opvoeringen te Londen. In 1881 werd het een afdeeling van Het Nederlandsch Tooneel, waarop Van Zuylen een eigen gezelschap stichtte. Het succes bleef echter uit, en na een tijd van tegenspoed en zorgen, trad hij weer toe tot het gezelschap van Le Gras en Haspels, nadat dezen uit de Koninklijke Vereeniging waren getreden. Ook begon hij thans, in navolging van Coquelin, met het houden van voordrachten en door hem kwam het voordragen van monologen bij ons in de mode. In 1890 ging hij over bij het juist opgerichte Tivoli-gezelschap te Rotterdam, waar liij tot 1893 bleef en o.a. een van zijn allerbeste rollen creëerde: professor Crampton in HauptmanrCs drama. Sedert 1893 maakte hij deel uit van het gezelschap Le Gras en Haspels van den Grooten Schouwburg te Rotterdam tot een zenuwziekte in 1899 aan zijn tooneelloopbaan een einde maakte. Hij overleed in 1901. Behalve de reeds genoemde creaties moeten vooral nog genoemd worden: „De Zwerver" van Richepin), „Friend Frits", „Koenraad Deel" in Anne-Mie en „Plumet". Ook als tooneelschrijver trad hij op, zooals ,,'t Is maar een smid", „De Rederijker", „De Familie Kegge"(naar Hildebrand) enz., terwijl zijn monologen, zooals „Kermisreizigers", „Een rustig studieuurtje" enz. eveneens succes hadden.

Zuylen van Nyevelt. Zie Nyevelt.

Zvornik (Zworniek, Isvornik), een plaats en vesting in het Bosnische distrikt Dolnja—Toezla, schilderachtig op den rotsachtigen linker oever van de Drina gelegen, heeft een citadel, ruïnen van een Franciscanerklooster (15de eeuw) en telt (1895) 3382 voornamelijk Mohammedaansche inwoners, die een levendigen handel in hout drijven. Tegenover de plaats, op den rechter Drinaoever, ligt het Servische Mali-Zvornik (Klein-Zvornik), waarbij de ruïnen van het slot Skocic, de beroemde Gr. Katholieke bedevaartplaats (klooster) Tama en loodmijnen liggen.

Sluiten