Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zwaan (Cygnus) is de naam van een vogelgeslacht uit de familie van de zeefsnaveligen en uit de orde van de stootvogels. Het omvat groote vogels met een slank lichaam, een zeer langen hals, een middelmatig grooten kop, een rechten, overal even breeden snavel ter lengte van den kop en aan de punt eindigend met een ronden nagel, met lage, dikke, ver naar achteren geplaatste pooten en groote zwemvliezen. Men vindt deze dieren in alle werelddeelen, vooral in het noorden, in meren, rivieren en moerassen. In de keerkringsgewesten komen zij niet voor. Het zijn trekvogels, maar de soorten, welke op den gematigden gordel broeden, doen in den winter verre reizen. Zij nestelen gaarne bij zoet water, maar begeven zich na den tijd van het broeden naar zee. Zij loopen niet gemakkelijk, het opvliegen kost hun veel moeite, gewoonlijk doen zij dit van uit het water; ook strijken zij het liefst weer op het water neer.Wanneer zij een zekere hoogte bereikt hebben, vliegen zij snel voort. Zij zwemmen uitstekend met bevalligé en toch krachtige bewegingen. Hun voedsel bestaat uit allerlei plantenstoffen, insecten, wormen, schelpdieren, visschen enz. De zwanen leven in monogamie, het mannetje en wijfje zijn zeer aan elkander gehecht, ook zijn zij zeer bezorgd voor hun jongen. Zij zijn schrander, levendig, schuw en dikwijls boosaardig. Het wijfje legt 4—8 eieren, die door baar alleen worden uitgebroed. Men kent 10 soorten zwanen. De gewone zwaan (C. olor) is 1,8 m. lang en met uitgespreide vleugels 2,6 m. breed, zuiver wit, maar in de jeugd grijsachtig wit; zij heeft een geelrooden snavel met een zwarten bult en leeft in Denemarken, Zuid-Zweden, op het Balkanschiereiland, in het zuidelijk Oeralgebied en in Turkestan, trekt in April en in October meest langs de kusten door Middel-Europa, overwintert aan de Middellandsche Zee en in Noord-Indië. Haar eieren wegen gemiddeld 414 gr. en zijn 128 mm. lang en 70 mm. breed. Men zegt, dat deze vogel zeer oud wordt. Men vindt ze ook in ons land geheel of half tam in grachten en vijvers. De zingende of wilde zwaan (cygnus cygnus of cygnus musicus) heeft een gedrongen gestalte met een korteren en dikkeren hals en een gelen, aan de punt zwarten snavel zonder bulten; ook deze is zuiver wit, 1,6 m. lang en 2,5 m. breed; zij bewoont het noorden van Europa en Azië blijft in Griekenland het geheele jaar, trekt in den winter zuidwaarts tot in Noord-Afrika, vertoont zich in October aan de Oostzee, vliegt in November en December verder zuidwaarts, maar keert reeds'in Februari en Maart terug. Zij heeft een heldere, welluidende stem, die zij vooral in tijden van gebrek, bijv. in den winter, wanneer zij uit de bevroren plassen geen voedsel kan halen, voortdurend doet hooren. Zij nestelt ver in het noorden en in Griekenland, bouwt groote, vaste en ook wel drijvende nesten. In het noorden maakt men jacht op de zwanen om haar vleesch en doodt ze in den ruitijd met stokken. Ook de vederen (zwanendons) vormen een handelsartikel, de buiden leveren een kostbaar bont.Van de overige zwanensoorten noemen wij nog: de dwergzwaan of kleine zwaan (cygnus bewicki), de zwartnekzwaan (cygnus nigricollis) en de zwarte zwaan (cygnus atratus). Deze soort is iets kleiner dan de gewone zwaan, zij is geheel zwart en heeft een rooden snavel, komt in Zuid-Australië en Tasmania voor, werd in het begin van de 19de eeuw naar Europa overgebracht en plant zich ook hier voort.

Bij de Grieken was de zwaan geheiligd aan Apollo, en men was van meening, dat zij van dezen de gave der voorspelling ontvangen had. Men verhaalde, dat in Hespérië, aan de oevers der Eridanus en elders de zwanen haar naderenden dood door een welluidend klaaglied aankondigden, waarom men het laatste lied van een dichter met den naam van zwanenzang bestempelde. Voor de zeevarenden gold de ontmoeting met zwanen als een gunstig voorteeken. Zeus omhelsde Leda in de gedaante van een zwaan. In de Germaansche fabelleer was de zwaan op het nauwst verbonden met de lucht- en watergoden, terwijl haar ook bij deze volken de gave der voorspelling werd toegekend.De sage van den zwaanridder was algemeen bekend. Naar het volksgeloof der Germanen vertoonden zich de bosch- en watergodinnen en vooral de Walkyren bij voorkeur in de gestalte van zwanen (zie Zwanenmaagderi).

Zwaan (Latijn= Cygnus), een groot sterrenbeeld aan den N.lijken hemel, in den Melkweg, bevat 2 sterren van de tweede grootte, a en /, verschillende belangrijke dubbelsterren, alsmede onderscheiden veranderlijke sterren. 61 Cygni is een dubbelster met een jaarlijksche eigen beweging van 5",2„ op vier na de grootste, welke bekend is. Opmerkenswaardig is ook de veranderlijke % Cygni, reeds in 1686 door Kirch waargenomen, en welke schommelt tusschen de 4de en de 13de grootte; haar periode bedraagt 406 dagen. Bovendien kent men in dit sterrenbeeld 2 nieuwe sterren. De eene werd in 1600 door Janson en iets later door Kepler waargenomen. Zij verdween in 1621, verscheen in 1655 en, na opnieuw te zijn verdwenen, weder in 1665. Thans is zij van de 61)6 grootte. De tweede werd in 1876 door Schmidt te Athene als ster van de 3de grootte gevonden. Na 21 dagen was zij reeds voor het bloote oog onzichtbaar.

Zwaan, Martinus de, een Nederlandsch godgeleerde, geboren te Amsterdam den 4del Januari 1651, ontving in 1677 de priesterwijding en werd twee jaar daarna pastoor te Assendelft. Toen het college „De hooge Heuvel" in 1683 van Keulen naar Leuven was overgebracht, werd hij tot president benoemd en bleef in die betrekking werkzaam tot 1692. Toen keerde hij terug naar Noord-Nederland en werd pastoor te Haarlem. Tot verdediging van het kapittel te Haarlem, waarvan hij deken was, leverde hij: „Motivum juris" en „Refutatio responsi", gericht tegen het Pauselijk gezag. Hij verzoende zich echter met de Kerk en overleed den 30sten Maart 1713.

Zwaan, J. A., geboren te 's Gravenhage, werd in 1816 klerk op het rijksarchief, vergezelde den rijksarchivaris op de reis naar België ter terugvordering van de te Bergen in Henegouwen berustende Hollandsche charters en werd vervolgens commies en chartermeester bij het rijksarchief. Als zoodanig werd hij inzonderheid bekend met de handelingen van de voormalige regeeringscollegiën in ons land. Verder maakte hij zich o.a. verdienstelijk door het rangschikken van de overblijfselen van het archief van Marine na den noodlottigen brand in het gebouw van dat departement. Hij was ridder in de Orde van den Nederlandscben Leeuw en van de Russische Stanislausorde, lid van de New York historical Society, van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap en van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde. Hij overleed den 28sten Januari 1862.

Sluiten