Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zwaanridder was volgens de Neder-Rijnsche sage een ridder, die in een boot, getrokken door een zwaan, uit een onbekend land komende, een vorstendochter bevrijdt van een minnaar, die haar tegenstaat, om haar daarna te huwen. Hij moet haar echter weder verlaten, omdat zij, ondanks zijn ver-, bod, vraagt naar zijn herkomst. Deze sage werd in de Middeleeuwen verschillende malen dichterlijk behandeld, bijv. in den Franschen „Roman du chevalier au signe ou de Godefroi de Bouillon"(uitgegeven door Reiffenberg, Brussel, 2 dln., 1846—1848), waarin zii in verband gebracht wordt met Godfried van Bouillon. In het Duitsch droeg Wolfram von Eschenbach aan het slot van den „Parzival" de sage over op Lohengrin, den zoon van den graalkoning Parzival. Een onbekende dichter werkte nog vóór 1290 de sage nader uit in een lang, strofisch gedicht „Lohengrin", waarin zij onder Hendrik den Vogelaar speelt, terwijl kort daarvoor Konrad von Würzburg in zijn „Schwanenritter" de sage te Nijmegen ten tijde van Karei dm Groote liet spelen.Ook als prozaroman verscheen de sage reeds in de 15de eeuw in de Fransche en Nederlandsche taal.

Zwaard is een blank wapen, bestemd tot houwen en steken, met een rechte, breede, veelal tweesnijdende kling en een gevest zonder beugel. De Grieken bedienden zich zoowel van het korte Perzische zwaard, als van het lange slagzwaard. De Romeinen hadden vóór den Tweeden Punischen Oorlog een kort, slechts aan een zijde snijdend zwaard zonder punt (ensis) dat zij vervolgens verwisselden met het Spaansche zwaard (gladius), dat voorzien was van een punt. Onder de keizers bezigde men het lang, breed en tweesnijdend zwaard (spatha), van de Noorsche volkeren overgenomen. De vuistvechters waren met een kort zwaard (pugio) gewapend, en ook de officieren en keizers droegen dit dolkachtig wapen als een teeken van hun macht over leven en dood. In de middeleeuwen gebruikte men meestal zeer lange en zware slagzwaarden, meer geschikt om te houwen dan om te steken, die onder den naam van Hambergen of tweehands slagzwaarden bekend waren. De ridders, te paard vechtende, waren van korter zwaarden voorzien.Na de uitvinding van hetbuskruit maakte het zwaard plaats voor den pallas en den sabel, zoodat het na dien tijd nagenoeg alleen door scherprechters werd gebruikt.

Zwaard noemt men in den scheepsbouw de ijzeren of houten, meestal schildvormige bladen, welke bij vlakgebouwde vaartuigen de kiel vervangen. Men onderscheidt middelzwaarden, welke middenscheeps van ingebouwde zwaardkasten uit in het water worden gelaten,en zijzwaarden, ten getale van twee, ter zijde van het schip aangebracht.

Zwaardbroeders is de naam van een geestelijke ridderorde, die in 1202 door bisschop Albert te Riga gesticht werd om strijd te voeren tegen de heidenen in Lijfland, en door paus Innocentius III in 1204 werd bevestigd. De ridders, die zich „broeders der Christelijke ridderschap" noemden, hadden den regel en het gewaad aangenomen der Cisterciëncers; zij droegen een witten rok en mantel, maar hadden op de borst de roode afbeelding, van twee kruisgewijs over elkander gelegde zwaarden. Hieraan ontleenden zij den naam van Zwaardbroeders of Zwaarddragers. Hun eerste grootmeester was Wenno (Weinhold) vonRosbach, onder wiens bestuur zij in 1207 het derde deel van Lijfland en van de nog te veroveren ge¬

westen in eigendom verkregen. Dehoofdze tel derOrde was de burcht van de orde te Wenden, waar ook de grootmeesters werden begraven. Hoewel de Zwaardbroeders, bijgestaan door den Bisschop,in 1224 nagenoeg geheel Esthland met Reval veroverden, vereenigden zij zich toch in 1237 met de Duitsche Orde. Sedert dien tijd werden de Zwaardbroeders bestuurd door een landmeester (magister provincialis), door den grootmeester der Duitsche Orde benoemd. Hun hoofdstad was Riga. Toen in 1513 de landmeester Walter von Plettmberg (1494—1535) de DuitscheOrde bij haar oorlog in Polen met geld ondersteunde, schonk de toenmalige grootmeester, markgraaf Albrecht van Brandenburg, in 1521 aan de Zwaardbroeders een zekere onafhankelijkheid van de Duitsche Orde en verleende hun het recht zeli hun hoofd te kiezen. Walter begunstigde de Hervorming en voegde zich in 1531 bij het Schmalkaldisch Verbond. Toen de grootmeester Gotthard Ketteler (sedert 1559) bij den keizer en het rijk geen bijstand vond, terwijl de Russen reeds sedert 1558 zijn land verwoestten, begaf hij zich in de bescherming van Polen, legde in 1561 zijn waardigheid neder, stond Lijfland af aan Polen en werd van wege dit rijk als hertog met Koerland en Semgallen beleend.

Zwaarddans. Zie Wapendans.

Zwaardekroon, Hendrik, of Swaardecrom, van 1718 tot 1725 gouverneur-generaal van Nederlandsch Indië, geboren te Rotterdam omstreeks het jaar 1660, vertrok in 1680 als adelborst naar zee. Na zijn aankomst in Indië werd hij secretaris van den commissaris-generaal Van Reede en bleef tot aan den dood van laatstgenoemde (1691) in die betrekking, terwijl hij tevens in 1686 tot boekhouder en onderkoopman was benoemd. In 1694 werd hij opperkoopman te Batavia en in 1695 bevelhebber van JafnaPatnam op Ceylon, waar hij tot 1698 bleef. Vervolgens vertrok hij als directeur naar Suratte, waar hij werkzaam was tot 1703. Na zijn terugkomst te Batavia werd hij in 1704 buitengewoon en in 1715 gewoon raad van Indië en in 1718 gouverneur-generaal en bevorderde als zoodanig met kracht den handel op China. Onder zijn bewind werd een gevaarlijke samenzwering ontdekt, gesmeed door zekeren Erberveld en een aantal inlanders, om alle Europeanen om te brengen. De schuldigen werden gestreng gestraft. Na een oorlog in het oosten van Java onderwierpen zich de opstandelingen in 1723 aan het Nederlandsch gezag. Ook had Zwaardekroon zich reeds in 1719 verdienstelijk gemaakt door de aanplanting van den koffieboom op zijn buitengoed Kadoewang, waardoor hij den grondslag legde voor de belangrijkste cultuur op Java. Als gouverneurgeneraal deed hij beslag leggen op het schip Roggeveen, dat een reis om de wereld had volbracht, op grond dat het, door de West-Indische Compagnie uitgerust, langs een verboden weg in Indië was gekomen,wat aanleiding gaf tot heftige geschillen tusschen de beide Compagnieën. In 1725 legde Zwaardekroon zijn ambt neder, maar bleef in Indië. Hij overleed den 12den Augustus 1728.

Zwaardemaker, Dirk, een Nederlandsch dichter, geboren te Zaandam den 18'lcn Juni 1781, ontving een degelijk onderwijs, kwam vervolgens in 1810 in het bezit van een pelmolen en wijdde zich tevens aan den commissiehandel. Hij was in verschillende openbare betrekkingen werkzaam en werd in 1831 benoemd tot medebestuurder der Algemeene

XVI

36

Sluiten