Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Otto /.Deze werd opgevolgd in 997 door zijn neef Herman II, die ook in het bezit was van den Elzas en in 1003 zijn landen naliet aan zijn zoon Herman III. Na dezen (1012) kwam het bewind in handen van zijn zuster Gisela, de gemalin van den markgraaf Ernst van Oostenrijk. Zij was na het overlijden van haar gemaal voogdes over haar minderjarigen zoon Ernst II, maar trad in 1016 in het huwelijk met den lateren koning Koenraad II. Ernst II kwam in verzet tegen zijn stiefvader en verloor in 1030 Zwaben, dat tegelijk met Bourgondië door Koenraad II aan Gisela's tweeden zoon uit het eerste huwelijk, aan Herman IV, werd toegekend. Toen deze in 1038 kinderloos overleed, werd hij opgevolgd door den zoon van den keizer, die in 1039 als Hendrik III den Duitschen troon beklom. Deze beleende in 1045 den paltsgraaf Otto bei Rhein met Zwaben en na den dood van dezen (1047) markgraaf Otto van Schuieinfurt, die in 1057 overleed zonder erfgenamen achter te laten. Daarop gaf Agnes, als moeder en voogdes van keizer Hendrik IV, het hertogdom in 1057 aan haar schoonzoon, graaf Rudolf van Rheinfelden.Deze werd in 1077 tot tegenkoning van Hendrik IV gekozen, maar leed aan de Elster de nederlaag (15 October 1080) en overleed den volgenden dag. Reeds in 1079 had Hendrik IV het hertogdom aan Frederik 1, den graaf van Hohenstaufen, toegewezen. Maar na den dood van Rudolf maakten diens zoon en schoonzoon, Berthold van Rheinfelden en Berthold van Zahringen, aanspraak op Zwaben, en Frederik stond in 1096 niet alleen de Breisgau en de rijksvoogdij over Zurich af aan Berthold van Zahringen, maar daarenboven ook de Welfische bezittingen aan Beieren. Hij overleed in 1105, waarna zijn oudste zoon Frederik II (de Eenoogige) hertog van Zwaben werd. Toen diens zoon Frederik in 1152 keizer geworden was, schonk hij Zwaben aan den minderjarigen zoon van zijn voorganger op den keizertroon (Koenraad III), aan Frederik IV van Rothenburg, en na het overlijden van dezen (1169) Zwaben met den Elzas aan zijn eigen zoon Frederik V. Deze vergezelde zijn vader op den Kruistocht van 1189 en aanvaardde na diens dood het opperbevel over het leger der Kruisvaarders, maar stierf in 1191 te Akka, waarna Zwaben aan zijn broeder Koenraad III verviel.Na zijn dood (1196) beleende keizer Hendrik VI zijn jongsten broeder Philips, markgraaf van Toscane, die in 1198 koning werd met Zwaben, deze werd echter in den strijd om de Kroon, die hem door Otto IV werd betwist genoodzaakt, de goederen door zijn voorvaderen in Zwaben verworven, te vervreemden. Na zijn dood (1208) en dien van zijn dochter Beatrix kwam Zwaben aan Frederik F/, den lateren keizer Frederik II. Deze wist veel van de vroegere Zwabensche leengoederen weer in zijn bezit te krijgen, terwijl zijn gebied belangrijk vergroot werd door het uitsterven van het geslacht der Zahringers (1218). Reeds in 1219 benoemde Frederik zijn driejarigen zoon Hendrik II tot hertog van Zwaben. Daar deze echter later tegen zijn vader opstond, schonk Frederik in 1235 het hertogdom aan den lateren Duitschen koning Koenraad IV, die het in 1253 toekende aan zijn tweejarigen zoon Koenraad V, gewoonlijk Koenradijn genaamd. Toen deze zich in 1266 gereed maakte om zijn erfland Sicilië in bezit te nemen, verpandde hij het overschot van zijn Zwabensche bezittingen, o. a. het maarschalksambt in Zwaben, de voogdij over Ulm en een groote

landstreek op de Leutkircher Heide, aan Württemberg. Na den dood van Koenradijn werd de hertogelijke zetel in Zwaben niet weder bezet. Onder de heerschers in het Zwabensche gebied, zooals de markgraven van Baden, de paltsgraven van Thuringen, de graven van Hohenzollern, de hertogen van Teek, enz., bekleedden voortaan de graven van Württemberg de eerste plaats, die voortdurend strijd met de overige vorsten moesten voeren. Hoewel de poging van koning Rudolf van Habsburg om de hertogelijke waardigheid in Zwaben op zijn tweeden zoon Rudolf te doen overgaan, niet gelukte, bleef de souvereiniteit over het hertogdom aan het rijk, en de keizer deed Opper- en Beneden-Zwaben door landvoogden besturen. Reeds onder Rudolf echter verkreeg Württemberg de landvoogdij in Beneden-Zwaben en later ook in den Elzas. Na den dood van Rudolf (1291) begonnen de partij-oorlogen en de rooftochten opnieuw, waaraan koning Albrecht I in 1307 door den landvrede van Spiers een einde maakte. De machtsoverschrijding van graaf Ulrich III van Württemberg en de gunsten, die hij genoot van keizer Lodewijk den Beier, deden in 1331 den Zwabenschen Stedenbond (zie aldaar) ontstaan. Oostenrijk vermeerderde zijn macht in Zwaben door het bezit te verwerven van Freiburg (1368) en van de Breisgau (1369). De kleinere Zwabensche vrijheeren brachten omstreeks het jaar 1360 den zoogenaamden Schlegelerbond tot stand, die zich aan de zijde schaarde van Oostenrijk. Daarentegen verbond zich Eberhard van Württemberg met de steden, waardoor sedert 1367 de bloedige Schlegeleroorlog ontstond. In 1378 moest graaf Eberhard afstand doen van de landvoogdij, die in het bezit kwam van hertog Frederik van Beieren> Het zwakke bestuur van Wenzel gaf aanleiding, dat in 1382 de Zwabensche Stedenbond zich te Ehingen verbond met hertog Leopold van Oostenrijk. Ook de riddervereenigingen, zooals de Martinsvögel, de ridders van den Leeuw, die van de Kroon enz., met graaf Eberhard aan het hoofd, werden in het verbond opgenomen. Toen onderscheiden Zwabensche steden tegen den graaf van Württemberg in 1388 bij Döflmgen de nederlaag hadden geleden, gaiWenzel bevel,dat alle verbonden vernietigd moesten worden en bracht in 1389 den landsvrede te Eger tot stand, waaraan behalve Zwaben ook de Rijnlanden, Beieren, Franken, Hessen, Thuringen en Meiszen moesten deelnemen. Graaf Frederik van Ottingen werd tot bondshoofdman voor Zwaben benoemd, tot beslissing van alle oneenigheden werd een landsvredegerecht ingesteld. Niettemin bleven tot 1395 de veeten der steden aan het Bodenmeer en de Schlegelerstrijd tegen Württemberg voortduren, tot dit land eindelijk, door onderscheiden vorsten ondersteund, wist te bewerken, dat de Schlegelerbond opgeheven werd. Toen na de afzetting van Wenzel (1400) koning Ruprecht de privilegiën der steden schond,sloten Keur-Mainz, Württemberg, Baden en 17 Zwabensche steden in 1405 het Marbacher Verbond. Keizer Sigismund verpandde in 1415 op de Kerkvergadering te Constanz onder goedkeuring der rijksvorsten Hans van Waldburg. De onderlinge veeten bleven ook onder Albrecht II en Frederik III voortduren, hoewel het genootschap van St. Georg, in 1436 gesticht, de handhaving van den algemeenen vrede bevorderde en keizer Albrecht in het bewaren daarvan krachtig

Sluiten