Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ondersteunde. In 1487 vereenigden zich ingevolge de oproeping van den keizer alle Zwabensche Standen te Eszlingen en sloten den 14den Februari 1488 den grooten Zwabenschen Bond (zie aldaar) tot instandhouding van den landsvrede. Niettemin bleven de twisten en oorlogen nog voortduren. Vooral werden vreeselijke verwoestingen aangericht door den Boerenoorlog (1525), die in de Algau en Hegau een aanvang nam. Omstreeks dien tijd maakte de Hervorming in Zwaben groote vorderingen; ook voegden zich vele Zwabensche rijksstanden, zooals Württemberg, IJld, Reutlingen, Eszlingen en Heilbronn, bij het Schmalkaldisch Verbond, waarvoor zij na de ontbinding in 1547 aanzienlijke sommen als boete moesten betalen; de rijkssteden verloren bovendien haar democratisch bestuur en moesten het voormalig aristocratisch bewind herstellen. Van dien tijd af zochten Württemberg en Oostenrijk de overhand te verkijgen in Zwaben, het eerste gesteund door de Protestantsche en het tweede geholpen door de R. Katholieke Standen van het land. De rijksridderschap vormde aanvankelijk een. bijzonder lichaam, doch moest in 1563 de kreitsgrondwet erkennen, toch bleven de twisten tusschen de Kreitsstanden aanhouden. Bij den vrede van Munster werd de Elzas aan Frankrijk afgestaan en Zwaben verplicht, een schadevergoeding van nagenoeg een millioen florijnen aan Zweden te betalen. Na dien tijd was het land herhaaldelijk het tooneel van de Duitsche rijksoorlogen en genoot slechts van 1763 tot 1792 een bestendigen vrede. Opnieuw werd Zwaben door den Franschen Revolutie-oorlog geteisterd. Bij den Vrede te Luneville in 1801 werd bepaald, dat al het grondgebied van Zwaben op den linker oever van den Rijn aan Frankrijk moest worden afgestaan en dat de wereldlijke staten tot vergoeding voor hun verloren gebied de geestelijke goederen en rijkssteden zouden ontvangen. In 1806 verkregen alleen de vorsten van Baden, Württemberg, Beieren, Hessen-Darmstadt, Hohenzollern, Liechtenstein en Leyen de souvereiniteit. Leyen verloor zijn souvereiniteit in 1814 en Hohenzollern stond haar in 1849 aan Pruisen af.

Zwaben, vroeger Zwaben en Neuburg, een distrikt in Beieren, werd in 1838 uit den voormaligen Donaukreits en een gedeelte ,van den vroegeren Rezatkreits gevormd. Het omvat het voormalig hoogstift Augsburg, de vorstelijke abdijen Kempten en Lindau, het vorstendom Neuburg, het markgraafschap Burgau, vele vrije rijkssteden, zooals: Augsburg, Kempten, Lindau, Kaufbeuren en Donauwörth, benevens onderscheiden heerlijkheden,en grenst in het noorden aan Midden-Franken, in het oosten aan Opper-Beieren, in het zuiden aan Tirol, Vorarlberg en het Meer van Constanz en in het westen aan Württemberg. Het heeft een oppervlakte van 9 825 v. km., het aantal inwoners bedraagt (1905) 753 177. Het grootste gedeelte van het land is vlak of met heuvels bedekt, alleen het N., waar men de Jura, en het Z., waar men de Algauer Alpen aantreft, zijn bergachtig. De voornaamste rivier is de Donau, zij neemt o. a. de Wörnitz, de Iller, de Roth, de Günz, de Mindel, de Zusam, en de Lech op. Het Meer van Constanz begrenst de smalle zuidwestelijke landstrook van het distrikt. De grond is zeer vruchtbaar en men heeft er uitgestrekte wouden. Land- en boschbouw zijn de voornaamste middelen van bestaan, de teelt van runderen is vooral in het

Z. van veel belang. Het delfstoffenrijk levert marmer en ijzer. De nijverheid is vooral vertegenwoordigd in de steden en bepaalt zich voornamelijk bij wol- en katoenspinnerij, weverij, katoendrukkerij, vervaardiging van papier,glas, metalen voorwerpen, machines enz. De groote steden zijn er tegelijk de stapelplaatsen van den handel. Het distriktsbestuur is gezeteld te Augsburg.

Zwabenspiegel, een Duitsch wetboek, dat in de handschriften tot aan de 15de eeuw gewoonlijk met den naam van „Land- und Lehrrechtsbuch", later ook met dien van „Kavserrecht" of van „Spiegel kayserlichen und gemeinen Landrechts" wordt bestempeld, werd op voorstel van Goldast in het begin van de 17de eeuw Zwabenspiegel genoemd. Het werk is in een Opperduitschen tongval geschreven, volgens Ficker en anderen omstreeks 1275, volgens Rockinger verscheen de eerste bewerking in 1259, een omwerking in 1265. De vervaardiger is onbekend. De voornaamste bron is de Saksenspiegel (zie aldaar), echter niet in zijn oorspronkelijken vorm, maar in een bewerking, die eerst in 1857 op de universiteitsbibliotheek te Innsbruck is ontdekt en in een voorrede „Spiegel aller deutschen Leute" wordt genoemd. Deze „Deutschenspiegel" in 1859 door Ficker in het licht gegeven, is tusschen 1235 en 1268 geschreven, de vervaardiger volgt hoofdzakelijk den Saksenspiegel maar slaat de zaken over, die bepaaldelijk op Saksen betrekking hebben, alsmede die, welke hij als verouderd beschouwt. Daarentegen bevat zijn werk tot boek II art. 12 § 13 toevoegselen uit het Romeinsche en canonieke recht, uit de rijkswetten en het Augsburger en Freiburger stadsrecht, de keizerskroniek, den Bijbel en andere geschriften. Na dat gedeelte bestaat het werk verder voornamelijk uit een vluchtige, dikwijls onjuiste Hoogduitsche vertaling van den Saksenspiegel. De „Zwabenspiegel" volgt alleen in het eerste gedeelte, dat op het landrecht betrekking heeft, den „Deutschenspiegel" op den voet; het tweede gedeelte en het leenrecht zijn vrij bewerkt; de vervaardiger maakt daarbij o. a. gebruik van het Romeinsch recht, het canonieke recht, Frankische rijkswetten, Alemannisch en Beiersch volksrecht, aanteekeningen, het Augsburger stadsrecht, den Bijbel enz. Het werk is bestemd als wetboek voor geheel Duitschland, maar heeft dikwijls inzonderheid betrekking op Zwaben. Het is bij herhaling gedrukt en ook in andere talen overgezet. Men heeft critische uitgaven van Laszberg (1840) en • van Wackernagel (1841), terwijl een uitgave met een woordenboek bezorgd werd door Gengler (2de druk, 1875).

Zwabische Bond, een vereeniging van Zwabische Standen tot het handhaven van den landsvrede in Zwaben, in 1486 door Frederik III afgekondigd, werd naar het ontwerp van Berthold van Henneberg, aartsbisschop van Mainz den 14den Februari 1488 te Eszlingen gesloten. Genoemde Bond was oorpronkelijk samengesteld uit het St. Georgegenootschap en 22 Zwabische steden, weldra telde het echter ook de vorsten van Tirol, Württemberg, Brandenburg-Ansbach, Baden en Beieren-München, de bisschoppen van Augsburg en Constanz en later ook Hessen, Trier en Keur-Palts onder zijn leden. Het bestuur van den Bond was toevertrouwd aan een Bondsraad, welke uit drie collegiën met negen raadsleden en een hoofdman voor de vorsten, de

Sluiten