Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meest uitgebreide toepassing vond zij in de Middeleeuwen aan meubel- en timmerwerk. In den machinenbouw noemt men zwaluwstaart een trapeziumvormige verbinding van twee machinedeelen (fig. 2). Zij wordt meestal als geleiding gebruikt. De in de

Fig. 1.

Fig. 2.

Zwaluwstaart in den machinebouw.

Zwaluwstaart als houtverbinding.

fig. afgebeelde zwaluwstaart vindt men bij supporten van draaibanken enz. a is de vaststaande geleider, waarover b bewogen wordt. In vele gevallen, zooals bij klemmen, kruiskopgeleidingen enz. is b vast en beweegt zich a daarlangs.

Zwammen, Fungi (zie de platen) zijn planten zonder bladgroen en in haar bestaan dus op andere organismen aangewezen. Men spreekt dan van parasieten, indien zij van levende organismen bestaan en van saprophyten indien zij op doode organismen vegeteeren. Zij vormen een klasse uit den laagsten stam der Cryptogamen n.L de Thallophyten. Men verdeelt deze klasse in drie onderklassen:

Myxomyceten (slijmzwammen), Schizomyceten (splijtzwammen of Bacteriën) en Hyphomyceten (draadzwammen). Zie de eerste onderklasse onder Slijmzwammen en de tweede onder Bacteriën.

De Hyphomyceten zijn phylogenetisch te beschouwen als van saprophytische of parasitische vormen van Chlorophyceeën (Groenwieren) af te stammen. De cellen bezitten een dunnen celwand, en haar inhoud bevat talrijke celkernen, vetkogeltjes, nooit zetmeel en vaak glycogeen.

Men verdeelt ze in Oomyceten, Zygomyceten, Hemiasci, Ascomyceten, Hemibasidii en Basidiomyceten. De beide eersten vormen de z. g. Phycomyceten en vertoonen nog groote verwantschap met sommige Chlorophyceeën n. 1. met de Siphoneeën, daar de vegetatieve thallus nog bij hen bestaat uit een enkele cel of uit draadvormige rijk vertakte veelkernige cellen. Bij de hoogere zwammen daarentegen bestaat de thallus ook wel uit sterk vertakte celdraden maar vormen celrijen. De celdraad heet hyphe en men heeft derhalve gelede en ongelede hyphen. Het geheele vegetatieve thallus heet mycelium. Vormen de hyphen door sterke dooreengroeiing een kluwen en deelen zij zich dan in korte cellen, dan ontstaat een schijnparenchym of pseudoparenchym. Bij de Phycomyceten komt een Sexueele voortplanting voor en naar de wijze waarop dit geschiedt onderscheidt men Oomyceten en Zygomycelen.

Bij de Oomyceten treft men Oögoniën (vrouwelijke) en antheridiën (mannelijke geslachtsorganen) aan, hoewel ook in deze groep reeds een reductie te constateeren valt. Uitstekend zijn deze organen nog ontwikkeld bij Monoblepharis, waar aan het einde eener hyphe een bolvormig oögonium staat en juist hieronder een antheridium, welk laatste bij rijpheid een aantal spermatozoïden ontlast, elk met één zweep-haar voorzien. Deze spermatozoïden kruipen dan omhoog en brengen de bevruchting tot stand:

Bij de groep der Perenosporen treedt reeds reduc■ tie in, daar het veelkernige protoplasma van het antheridium zich niet meer in spermatozoïden verdeelt. Tot deze familie behoort b. v. de beruchte s Phytophthora infestans die de z. g. aardappelziekte veroorzaakt en waar men tot nog toe geen geslachtsorganen heeft waargenomen. Een andere familie, die der Saprolegniaceeën, die parisitisch leeft van rottende planten en dieren en zelfs van levende visschen, heeft ook kogelvormige oögoniën als eindcellen van hyphedraden, maar deze bevatten gewoonlijk meerdere eicellen. Ook de antheridiën zijn hieronder geplaatst, zijn buisvormig, groeien met het vrije einde tegen het oögonium aan, dringen daarin zelfs door en brengen dan de bevrachting tot stand. Zie hiervoor nevenstaande plaat.

Bij_ de Zygomyceten bestaat de sexueële voortplanting in de copulatie van twee gelijkwaardige cellen z. g. gameten, waardoor een zygospore ontstaat. Een bekend voorbeeld levert Mucor mucedo (een op vochtig brood vaak voorkomende schimmel). Aan de draden ontstaan dan zijwaartsche uitstulpingen, die twee aan twee met de uiteinden samenstooten en daar de conjugeerende cellen dan door een dwarswand afgrenzen, waarop deze dan vergroeien en de zygospore doen ontstaan (zie de plaat).Komt nu de geslachtelijke voortplanting derhalve slechts weinig voor, zoo is daarentegen de ongeslachtelijke algemeen en vertoont al naar de groepen een zeer groote verscheidenheid.

Met zweepharen bedeelde zwermsporen (zoösporen), die in grooten getale in zoösporangiën ontstaan, treft men slechts bij de Oomyceten b. v. bij Saprolegnia (zie de plaat); bij de andere groepen zijn de ongeslachtelijke sporen onbeweeglijk. Dit hangt samen met de leefwijze. Zwermsporen treft men slechts bij die zwammen aan, die geheel of grootendeels in water leven, terwijl de onbeweeglijke sporen aangepast zijn voor een verbreiding door de lucht. Schijnbaar maakt hierop Phytophthora een uitzondering, daar deze schimmel op bladeren en knollen van aardappelen woekert. Maar hier is dan ook de ontwikkeling der zwermsporen pas mogelijk bij vochtig weer — en het is algemeen bekend dat dan ook de aardappelziekte door warm, vochtig weer sterk wordt uitgebreid.

De onbeweeglijke zwermsporen kunnen tot twee hoofdgroepen worden gebracht, n. 1. endosporen en exosporen of conidien.

De endosporen ontstaan in sporangiën, wier inhoud zich in talrijke sporen oplost. In den regel zijn de sporangiën eindcellen van hyphendraden. De conidiën ontstaan door afsnoering van sporencellen aan de uiteinden van draden, die dan meestal tot bijzondere conidiëndragers zijn vervormd.

Beide sporenvormen komen bij de Zygomyceten voor en bij sommige soorten zelfs naast elkaar.

Zoo stelt fig. 3 a het mycelium van Mucor mucedo voor en daarin zijn een vijftal myceliumdraden ontwikkeld tot sporangiëndragers; in fig. 3 b is een sporangium afzonderlijk aangegeven en men ziet hoe door stukgaan van den zijwand de sporen in vrijheid komen. Uit zulk een spoor ontwikkelt de schimmel zich direct.

Bij deze schimmel komen nu naast elkaar voor zoowel sporangiën met zeer veel als met weinig sporen — deze zijn derhalve zuivere endosporen; bij de soort Thamnidium vindt men echter ook sporangiën

Sluiten