Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met één enkele spoor, wat men dus reeds als een conidie kan beschouwen.

De volgende groepen kan men nu in twee rijen verdeelen; de eerste rij heeft als laagste groep de Hemiasci, als hoogste de Ascomyceten en heeft het sporangium als hoofdfructificatie bewaard, alleen verder ontwikkeld tot een ascus, d. i. een buisvormig sporangium in welke de sporen in een bepaald aantal, gewoonlijk 8 ontstaan; de tweede rij met de laagste groep der Hemibasidii en met de hoogste groep der Basidiomyceten sluit zich bij de conidiëndragende Zygomyceten aan en heeft uitsluitend de conidiënfructificatie bewaard en verder ontwikkeld tot de z. g. basidie, d. i. een naar vorm, grootte en sporenaantal bepaald geworden conidiëndrager.

Bij de bespreking dier verschillende groepen, zullen nog wel enkele neven-fructificaties ter sprake komen.

Tot de Hemiasci behooren slechts weinige en kleine zwammen; de geslachtsorganen ontbreken geheel, maar zij zijn in het bezit van sporangiën, die reeds veel op de asci der volgende groep gelijken.

Hiertoe behoort de op cichoreiplanten levende Protomyces pachydermis; uit de het weefsel der voedsterplant doortrekkende myceliumdraden, ontstaan achter elkaar kogelvormige verdikkingen, de z. g. chlamydosporm. Dit zijn enkele cellen met sterke wanden, die bij rijpheid elkaar loslaten, kiemen en dan uitgroeien tot een buisvormig sporangium met veel sporen. Deze sporen kunnen op een cichoreiplant weer een nieuwe mycelium doen ontstaan; brengt men deze sporen echter in een voedende vloeistof, dan ontstaan telkens nieuwe cellen achter elkaar, die losraken en weer opnieuw cellen gaan afsnoeren. Een dergelijke voortplanting, dus zonder een mycelium te vormen, moet als een conidiënfructificatie worden beschouwd. Men treftditook aan bij de ook tot deze groep behoorende biergist Saccharomyces cerevisiae, evenals bij de wijngist S. éllipsoideus.

De biergist is zelfs slechts in dezen vorm bekend; de wijngist komt in de natuur in den grond van wijnbergen voor en geraakt zóo op de druiven, waar zij ook verder vegeteeren en talrijke conidiën afsnoeren.

De Ascomyceten zijn een zeer vormenrijke groep en overwegend van parasitische leefwijze, met een sporenvorming in sporangiën, die hier den vorm van een ascus bezitten en in wier binnenste gewoonlijk 8 sporen gevormd worden. Als nevenfructificatiën komen voor de conidiën vorm en chlamydosporen. Van vele vormen kent men nog slechts de nevenfructificatie, maar niet den ascus vorm.

De eenvoudigste orde is die der Exoasei, waar de asci vrij in het mycelium ontstaan, terwijl bij de volgende orden, die der Perisporiaceeën, Pyrenomyceten en Discomyceten, de asci een soort van vruchtlichaam vormen, waarom men deze drie orden wel samenvat onder den naam van Carpoasei.De Exoasei leveren een groot aantal op boomen parasiteerende zwammen, wier mycelium de voedsterplant doorwoekert en daarom ieder jaar opnieuw de ziekte te voorschijn roept. Het mycelium prikkelt soms de aangetaste spruiten tot een eigenaardige vertakking, die men heksenbezems noemt. Zoo is Exoascus deformans een parasiet van de perzikbladeren, E. Pruni van de vruchtbeginsels der pruimen, E. Carpini die van sommige beukensoorten en E. epiphyllus van elzen.

De orde der Perisporiaceeën bezitten een gesloten ascusvruchtuit fertiele en steriele hyphen opgebouwd. Door het vergaan van het omhulsel (perithecium) komen de ascussporen vrij.

Men onderscheidt nog drie familiën, die der Erisypheeën, die der Perisporieeën en die der Tuberaceeën.

De Erisypheeën parasiteeren met hun mycelium aan de oppervlakte vooral van bladeren, overtrekken deze als een spinneweb en komen daardoor aan hun naam meeldauwzwammen. Zij worden bestreden door bestuiving met bloem van zwavel of door besproeiing met Bordeausche pap.

Bekend is de meeldauw van den wijnstok (E. Tuckeri). De Perisporieeën leven saprophytisch en hiertoe behooren Eurotium herbariorum en Penicillium glaucum.(Lie de plaat).DeTw&eraceeën (truffels) leven saprophytisch in den grond vooral aan den zoom van bosschen. De ascus vruchten (truffels) zijn onderaardsche bolvormige lichamen, die door een dik pseudoparenchymateus weefsel zijn omgeven en in wier binnenste de knodvormige asci in nestvormige groep gevonden worden. Vele truffels bezitten eetbare vruchtlichamen b. v. F. brumale, T. melano.ipermum, T. aestivum en T. mesentericum.

Niet eetbaar is T. rujum, die de grootte van een okkernoot verkrijgt.

De orde der Pyrenomyceten is weer buitengewoon rijk aan vormen en telt haar vertegenwoordigers zoowel onder op blad of schors parasiteerende als op rottend hout, mest enz. saprophyteerende. Sommige zijn zelfs parasieten in insektenlarven.

Zij zijn gekenmerkt door de kruikvormigegedaante van hun perithecia, die aan den top een opening bezitten, en op den bodem een vlechtsel uit asci en dunne vaak vertakte sapdraden (paraphysen). De hals is evenzoo bekleed door sapdraden, de periphysen. De ascussporen komen door de opening naar buiten, doordat de asci door wateropname langer worden en aan den top barsten; soms geschiedt het loslaten der sporen in het perithecium en worden de sporen later, door slijm omgeven, naar buiten gedrongen.

Hiertoe behooren o. a. Podospora fimiseda, Claviceps purpurea, Cordyceps militaris, Xylaria hypoxylon en Nectria ditissima.

De meest belangrijke is Caviceps purpurea (Secale cornutum) of Moederkoorn. Zij leeft parasitisch in het vruchtbeginsel van verschillende Gramineeën, vooral rogge; in het voorjaar worden de vruchtbeginsels besmet door de ascussporen, en door het zich vormende mycelium geheel gedeformeerd. Reeds spoedig vormen zich de conidiën die zich afsnoeren en met een zich tevens afscheidend zoet sap tot druppels samenballen. Deze z. g. valsche honingdauw lokt insekten, waardoor tevens de voorwaarde voor verdere infectie gegeven is. Vroeger werd deze fructificatie als een bijzondere zwam beschouwd en droeg den naam van Sphacelia segetum. Ten slotte ontstaat uit het mycelium een z. g. scleroiium doordat de hyphendraden dicht samenkomen en aan den omtrek een stevig hulsel vormen. In het midden is het weefsel losser en van witte kleur, terwijl zij van buiten donker violet en gekromd zijn, van waar de naam Secale cornutum. Deze scherothiën worden voor de apotheek verzameld en kunnen op het land overwinteren. In de lente beginnen zij tegen het bloeien der rogge te

Sluiten