Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tosporen, moeten zij toch wel degelijk als chlami- c dosporen beschouwd worden, daar men verschillende overgangsvormen kent.

Soms komt bij deze ontwikkeling nog een vierde vorm voor en wel van conidiën, die in bepaalde vruchtlichamen pyknidiën, gevonden worden. Deze pyknidiën ontwikkelen in het binnenste van draadvormige conidiëndragers kleine conidiën z. g. pylcnosporen. Zij verschijnen in de lente, tegelijk met aecidiën en wel aan de bovenzijde der bladeren in tegenstelling met de aecidiën, die aan de onderzijde gevonden worden. De verdere ontwikkeling dezer sporen op de voedsterplant is nog niet geheel opgehelderd ; wel kan men ze evenals gist in voedende vloeistoffen doen ontkiemen.

Deze verschillende sporenvormingen komen öf op dezelfde plant voor (autöcische), öf er heeft een z. g. waardwisseling plaats (heteröcische vormen). Als een voorbeeld van de laatste is zeer bekend Puccinia graminis, de graanroest, waar de uredoen teleutosporen op alle groene deelen van gerst, haver, tarwe, gevonden worden. De aecidiën en pyknidiën ontwikkelen zich echter op de bladeren van Berberis. In de lente ontwikkelen zich eerst de overwinterende teleutosporen en komen daaruit de basidiosporen te voorschijn, die door den wind op berberisbladeren worden verspreid. Slechts hierop ontwikkelen zij zich verder tot een mycelium, dat spoedig pyknidiën gaat vormen aan de bovenzijde en aecidiën aan de onderzijde dier bladeren. Vroeger hield men dezen vorm voor een afzonderlijke schimmel; slechts door langdurig onderzoek bleek de overeenstemming. De rood gele aecidiosporen stuiven nu naar buiten en geraken op de halmen van grassen, waar zij een mycelium vormen, dat in den zomer de uredosporen vooral op de bladscheeden voortbrengt. Deze sporen kiemen direct weder en dragen aldus zeer bij tot een snelle verbreiding. Tegen het einde van den zomer worden eindelijk de teleutosporen gevormd, die op den grond vallende, de soort het volgende jaar in stand moeten houden.

De Autobasidiomyceten worden weer verdeeld in de Hymenomyceten en Gasteromycetm.

Bij de Hymenomyceten zijn de basidiën ongedeeld en dragen aan den top op dunne steeltjes de viersporen. Bij de eenvoudigste vormen komen deze autobasidiën direct uit het mycelium, bij het meerendeel echter worden er zeer bijzondere vruchtlichamen gevormd, waar de basidiën op bepaalde plaatsen in lagen gevonden worden. Aan de samenstelling van zulk een laag ('hymenium) nemen ook z. g. sapdraden (paraphysen) deel en evenzoo de steriele cystiden, d. z. buizen, die zich door een grooteren omvang onderscheiden en dikwandig zijn. Chlamudosporenvorming is hier van zeer geringe beteekenis.

De meeste Hymenomyceten leven met hun mycelium in humusrijken bodem van bosschen, of in rottend hout en boomstammen en dragen vaak zeer groote vruchtlichamen. Het mycelium verbreidt zich in den bodem en neemt, daar de grond dan voedselarmer wordt, in ringvormige zönen toe. Aldus ontstaan de bekende heksenringen, die soms meters in doorsnede bereiken.

De voornaamste familiën zijn de Polyporeeèn en de Agaricineeën.

Bij de Polyporeeèn of Buiszwammen dragen de groote gesteelde hoeden (vruchtlichamen) aan de

onderzijde open buisvormige verdiepingen of diep gewonden gangen of dicht samenstaande vrij naa.r beneden hangende buisjes en bevindt zich het basidiënhymenium daar aan de binnenzijde. Hiertoe behoort Boletus met verschillende vaak zeer vergiftige soorten en Polyporus fommtarius. Het mycelium van deze laatste leeft parasitisch in loofboomen en uit den stam breken hier en daar dan de groote in verdiepingen verdeelde vruchtlichamen uit.

Verder behoort hier nog toe Merulius lacrymans (Huiszwam), die vaak groote verwoestingen in de huizen aanricht, doordat het mycelium planken en balken murw maakt. De vruchtlichamen zijn aanvankelijk wit en scheiden vochtdruppels af, van waar dan ook de naam lacrymans = weenend (Zie verder de plaat).De familie der Agaricineeën of Plaat zwammen heeft ook gesteelde hoeden, maar deze dragen aan de onderzijde radiaal en loodrecht staande lamellen, die met het hymenium overtrokken zijn. Oorspronkelijk zijn steel en hoed door een los hulsel omsloten, de volva, dat spoedig scheurt en dan als een scheede aan den grond blijft zitten. Een goed ontwikkelde volva treft men b. v. aan bij Amanita muscaria (Vliegenzwam). Behalve de volva vindt men nog bij vele vertegenwoordigers dezer familie een z. g. sluier (velum), die van den hoedrand naar den steel loopt en dus de lamellen in den beginne bedekt, later scheurt en als ringvormige lappen (annulus) aan den steel terug blijft. Een goed voorbeeld levert hiervan Armillaria mellea en Psalliota campestris (Agaricus campestris, Champignon). Vele hoedzwammen leveren een voedzame spijs, inzonderheid de Champignon; andere zijn in hooge mate vergiftig b. v. Amanita Muscaria.

De Gasteromyceten bezitten een gesloten vruchtlichaam, dat zich eerst opent bij rijpheid der sporen, doordat het hulsel (peridie) op kenmerkende wijze openspringt. De geheele binnenmassa heet gléba en is in talrijke holten verdeeld, wier wand (itrama) door het basidiënweefsel wordt bekleed. Het zijn saprophytisch in humusgrond levende zwammen die hun vruchtlichamen gewoonlijk boven den grond brengen. Het geslacht Lycoperdm heeft bolvormige, eerst witte, later bruinwordende vruchtlichamen, die soms b. v. L. bovista een halven meter in doorsnede verkrijgen.

Bij het geslacht Geaster (Aardster) springt het uitwendige hulsel in stervormige lappen open. Evenals bij het vorige geslacht bestaan hier n. L twee hulsels, een inwendig en een uitwendig; het inwendige hulsel opent zich later aan den top.

Nog behooren hiertoe de z. g. stinkzwammen met de geslachten Phallus en Clathrus. Hier druppelen

■ de sporen bij rijpheid in slijmdruppels langs den steel naar beneden. De gleba wordt door een bij-

■ komend deel (receptaculum) naar de hoogte gehe-

■ ven zonder dat de volva scheurt. Is dit geschied, • dan zijn de sporen rijp. Bij Clathrus heeft dit re; ceptaculum de gedaante van een sierlijk, rood tral liewerk. (Zie verder de plaat).

Zwammerdam, een gemeente in de provincie s Zuid-Holland, 1776 H.A. groot met (1910) 2114 inwoners, wordt begrensd door de gemeenten Bodei graven, Lange-Ruige-Weide, Reeuwijk en Alfen.

De grens wordt in het N. door den Rijn gevormd. ! De bodem bestaat in het N. uit rivierklei, in het Z. 3 uit laagveen. Landbouw en veeteelt zijn de voor-

Sluiten