Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

licht en Meur, veroorzaakt door de eigenschap om alle licht en kleur te absorbeeren. Volgens deze opvatting is zwart niet rechtstreeks zichtbaar. Toch is, zooals talrijke proefnemingen leeren, aan zwart in physiologischen zin een eigenaardige prikkel verbonden, evenals aan de andere kleuren en kan het dus niet worden opgevat als het bloote ontbreken van een prikkel. Tot de belangrijkste zwarte verven behooren: beenzwart, Frankfurterzwart, roetin zijn verschillende vormen (zie Roet), leisteen enz. Op weefsels echter brengt men zwarte kleuren aan met blauwhout en kaliumchromaat of met ijzerzouten en looizuur, alsmede door anilineverfstoffen (zie Ververij).

Zwart (Uredo carbo, Uredo segetum), ook wel stuijaren en stuifbrand geheeten. Zie Brand.

Zwart, Aart Cornelis de, een Nederlandsch letterkundige, geboren te Utrecht den 12"en Mei 1836, was achtereenvolgens onderwijzer te Utrecht, Gent, Groningen, 's Gravenhage, Veenendaal en Raamsdonk. Uit laatstgenoemde plaats vertrok hij naar Amsterdam, waar hij den 1011611 Januari 1885 overleed. Hij schreef o.a.: „Oom Thomas"(2 stukjes, 1860), „Geschiedenis des Vaderlands"(1861), „Bladzijden uit de bewerktuigde en onbewerktuigde natuur"(1866), „Bladzijden uit de algemeene geschiedenis"(1870), „Tien moeders en de mijne"(1870), „Adèle en Margaretha"(1872), „Margaretha en de Engelsche tante"(1873), „Pierre en Margaretha" (1874), „De middernacht op den Kruisweg of de geestverschijning te middernacht"(1876), „Van de plantershut naar het „Witte Huis". De levensgeschiedenis van President Garfield"(1881), „De bakker uit Het wapen van Antwerpen in de Kipdorpsche straat. Een tafereel uit de Fransche Furie in 1582—83" (1882), „Hoe de zoon van den pionier president werd. De levensgeschiedenis van Abraham Lincoln"(1883) en „Een Nederlandsch Macchabeër. Het leven van Prins Willem I (1533—1584)"(1884).

Zwart, Willem H. P. J. de, een Hollandsch schilder van stillevens, portretten, genre-stukken, stadsgezichten, markten enz., werd geboren te 's Gravenhage den 16den Mei 1862 en is thans te Voorburg woonachtig. Hij was een leerling van de Haagsche Academie en van Jacob Maris, hetgeen o.m. duidelijk te zien is in verschillende „Zanderijen", die hij tusschen 1885 en '90 schilderde. Later werk van hem verraadt soms den invloed van Breitner. De Zwart is bovenal colorist. Vooral zijn stillevens zijn vaak buitengewoon krachtig van kleur. Ook zijn landschappen met koeien, zijn stadsgezichten, veemarkten enz. zijn coloristisch van beteekenis. Zijn werken, die zeer gezocht zijn, bevinden zich hier te lande in vele particuliere verzamelingen.

Zwartbloedigheid. Zie Melanoemie.

Zwarte aarde (Russisch Tsjernosjom) noemt men de door haar korenbouw beroemde streek in Rusland, die zich van de Proeth tot de Wolga uitstrekt, tot 20 m. dik en zeer vruchtbaar is. Sommigen beschouwen deze grondsoort als een humusrijk löss, andere als het verweeringsprodukt der onderliggende oergesteenten. Door den roofbouw, welke er wordt uitgeoefend, is de vruchtbaarheid sterk achteruitgegaan, en vooral in zeer droge zomers heeft zelfs in dit gedeelte van Rusland misgewas plaats met het gewone gevolg: hongersnood.

Zwarte adelaar. Zie Adelaarsorden.

Zwarte baars (Grystes nigricans en salmonides). Zie Percidae.

Zwarte bende noemt men een vereeniging van personen, welke uit het buitenland groote hoeveelheden goederen betrekken, zonder deze te betalen, terwijl zij elkander aanwijzen voor het geven van referentiën, die natuurlijk steeds zeer gunstig uitvallen.

Zwarte bergen is de vertaling van den naam van het koninkrijk Montenegro.

Zwarte dood noemde men de besmettelijke ziekte of ziekten (waarschijnlijk de pokken en de pest), die in de 14de eeuw een groot gedeelte van de bevolking van de toenmaals bekende aarde deed sterven. Zij ontstond vermoedelijk in China en werd door karavanen eerst naar Midden- en Klein-Azië en vanhier naar Europa overgebracht. In 1347 vertoonde zij zich het eerst op Sicilië, te Marseille en in eenige havensteden van Italië, vanwaar zij zich over geheel Europa verspreidde. In 1348 woedde zij het vreeselijkst in Spanje, Frankrijk, Duitschland, Nederland en Engeland, in 1349 in Zweden, Noorwegen en Polen, eerst in 1351 in Rusland. Waarschijnlijk hadden de rampen, die sedert 1333 Europa hadden geteisterd, zooals aardbevingen, verwoestingen, sprinkhanen, misgewas, enz. door hun invloed op de materieele omstandigheden en op het gestel van de menschen de uitbreiding van de ziekte bevorderd. Men meent, dat in de drie jaren van 1348 tot 1350 in Europa 25 millioen menschen aan die ziekte bezweken zijn.Bijna alle lijders stierven binnen drie dagen na het verschijnen der pestbuilen. Het volk zag in deze ziekte een straf van God, die de Flagellanten (Geeselaars) door gestrenge boetedoening trachtten af te wenden. Men beschuldigde de Israëlieten van vergiftiging der waterputten en de WTeedste vervolgingen ontstonden uit deze dwaling. Eerst laat werden door de regeeringen van de verschillende landen voorzorgsmaatregelen voorgeschreven, daar men vermoedde, dat een noodlottige samenstand der planeten de oorzaak van de uitbreiding der ziekte was. Tot de geneesheeren, die deze ziekte waarnamen, behooren o. a. Guy de Chauliac, Simon van Covino en Chalin de Vinario, ook is zij beschreven door Boccaccio.

Zwarte druppels. Zie Black drops.

Zwarte Hoop is de naam van een bende krijgslieden, die in de 16ae eeuw vooral in de noordelijke gewesten van ons land door roof en plundering zich schadeloos stelde voor het gemis van soldij. Hertog Albrecht van Saksen had in het laatst der 15ae eeuw het gezag over Friesland verkregen, tegen zijn zonen Hendrik en Georg kwamen de Friezen in verzet, ondersteund door hertog Karei van Gelder. Georg van Saksen begaf zich in 1514 naar Duitschland om hulp te zoeken. De door hem achtergelaten troepen ontvingen den naam van Zwarte Hoop. Zij trokken zonder aanvoerder en zonder bepaald doel uit Friesland naar Drente en vervolgens door Overijsel en Utrecht naar Holland, waar zij ?ich berucht maakten door hun geweldenarij. Toen maatregelen genomen werden om hen uit Holland te verdrijven, keerden zij door Gelderland en Overijsel naar Friesland terug, waar zij Leeuwarden, Franeker en Harlingen nog bezet vonden door hun partijgenooten en onderscheiden dorpen plunderden en verbrandden. Wat zij in Holland hadden verkregen, werd hun met schepen toegezonden, maar viel in handen van Lange

Sluiten