Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(1211 m.). Lager en breeder zijn de ketens, die zich in het O. en het N. tusschen den Feldberg en het dal van de Kinzig bevinden.Toch vindt men hier nog de Erzkasten (1286 m.) en de Kandel (1243 m.). Niet zoo hoog is de noordelijke helft van het Zwarte Woud, waar de gemiddelde hoogte slechts 600 m. bedraagt. De bergen zijn hier meer tafelvormig. Het voornaamste gebergte is hier de Hornisgrinde (1164 m.) met de Kniebispas (972 m.), die het noordelijke Zwarte Woud met het zuidelijk gedeelte verbindt. Ten N. van de Hornisgrinde vindt men nog delBadener Höhe (1002 m.), de Hohen Staufen (672 m.) en de Hochkopf (1040 m.). Eigenaardig zijn de kleine bergmeren, zooals de Feldsee, de Schluchsee, de Titisee, de Mummelsee en de Wildsee. Met uitzondering van de hoogste koepeltoppen zijn de bergen in het Zwarte Woud dicht begroeid met naaldhout. Aan de donkere kleur van dit. geboomte ontleende het gebergte zijn naam, die voor het eerst in de 8ste eeuw voorkomt; bij de Romeinen heette het naar zijn bewoners de Markomannen Silva Marciana (= woud van de markmannen,grenswoud).Het gebergte bevat eenige belangrijke passen. Verder loopt er de in 1873 voltooide Schwarzwaldbahn door, die bij Offenburg (aan de lijn Mannheim—Bazel) een aanvang neemt, in het Kinzigdal tot aan Hausach en in het Gutachdal tot aan Triberg opklimt en vervolgens langs de Brigach naar Donaueschingen afdaalt. Hierbij sluit zich een lijn van Hausach naar Freudenstadt en verder over"de hoogvlakten van het oostelijk gedeelte in de richting van Stuttgart aan. In 1887 werd de lijn door het Höllendal van Freiburg naar Neustadt geopend.

De voornaamste gesteenten van het gebergte zijn graniet, gneis en bonte zandsteen; verder heeft men hier en daar leisteen, steenkolen en roodliggend, benevens eruptieve gesteenten. Het gneis vormt de kern en is het meest verbreid, daaromheen vindt men een gordel van graniet. Ofschoon het Zwarte Woud wel ertsen bevat, is de mijnbouw niet van belang; vroeger werd er lood, zilver, kobalt, koper en ijzer gewonnen. Van veel belang zijn de minerale bronnen. Van deze worden die van Baden-Baden, Badenweiler, Sackingen, Wildbad en de zoogenaamde Kniebisbaden druk bezocht. Het klimaat is in de hoogst gelegen streken guur. Daar heerscht de winter nog,wanneer aan den voet van het gebergte alles reeds groeit en bloeit. Daar groeien druiven, amandelen, walnoten, echte kantanjes enz., terwijl de hooger gelegen akkers slechts zomerkoren, aardappelen en vlas leveren. Men vindt er uitgestrekte weiden. De bewoners van het gebergte, dat met het oostelijk gedeelte tot Württemberg en voor het overige tot Baden behoort, zijn in het zuiden van Alemannischen, in het oosten van Zwabischen en in het noorden van Frankischen oorsprong. De gemeenten bestaan er in het westen en zuiden uit verstrooide boerderijen, in het zuiden zijn zij reeds in Zwitserschen bouwtrant opgetrokken. De belangrijkste bronnen van bestaan zijn houtteelt en handel. Onder den naam Hollanders worden zware boomstammen den Rijn afgevoerd. Ook vindt men een aantal houtzaagmolens in het Zwarte Woud. Verder bezit het noordelijk gedeelte een eigenaardige nijverheid, daar worden n. 1. de zoogenaamde Schwarzwalder klokken vervaardigd, die overal heen worden gezonden. In verband daarmee staat de vervaardiging van draaiorgels en andere muziekinstrumenten.

Verder is de stroovlechterij van belang. Het vreemdelingenverkeer, dat in den laatsten tijd door de bemoeiingen van de Schwarzwaldvereeniging toegenomen is, is niet zoo belangrijk, als men met het oog op de schoonheid van dit gebergte zou verwachten, waarschijnlijk een gevolg van de nabijheid van de Alpen.

Zwarte Zee. in de Middeleeuwen Pontus Euxinus, door de Russen Tsjornoje More, door de Nieuw-Grieken Mauri Thalassa en door de Turken Kara Dengiz geheeten, is een nagenoeg afgesloten, op een meer gelijkende binnenzee. Zij grenst in het westen aan de oostelijke kusten van Europeesch Turkije, Bulgarije, Roemenië en het Russische gouvernement Bessarabië, in het noorden aan de Russische gouvernementen Cherson, Taurië en Jekaterinoslaw, het gebied van de Don en dat van den Koeban, in het oosten aan de Trans-Kaukasische gewesten en in het zuiden aan Klein-Azië. Zij heeft in het zuidwesten door twee zee-engten, de Straat van Konstantinopel (Thracische Bosporus) en die der Dardanellen (Hellespont), tusschen welke de Zee van Marmora (Propontis) gelegen is, gemeenschap met de Middellandsche Zee. Haar oppervlakte bedraagt met die van de Zee van Azow (zie aldaar) 453 000 v. km.; zonder deze binnenzee is zij 417 000 v. km. groot. Haar grootste breedte is 600 km., haar lengte is bijna dubbel zoo groot. Met de Zee van Azow is zij verbonden door de Straat van Kertsj (Kimmerische Bosporus). Zij heeft in het N. lage, moerassige oevers en bezit, behalve het eiland Taman, in de Straat van Kertsj, door demonden van de Koeban gevormd, slechts een eiland, namelijk het Slangeneüand in de nabijheid van den mond der Donau. In den eentonigen kustvorm van den noordelijken oever brengt het schiereiland de Krim (Taurische Chersonesus), door de smalle landengte van Perekop met het vaste land verbonden, eenige afwisseling. De Zwarte Zee met haar dikke nevels, noordsche stormen en met ijsschotsen bedekte riviermonden vormt een zonderlinge tegenstelling met den Griekschen Archipel en moest door de bewoners van dezen wel als een Pontos axeinos (Ongastvrije Zee) worden beschouwd, een naam, die later, na de stichting van talrijke koloniën op haar kust, tegen dien van Pontos euxeinos (Gastvrije Zee) verwisseld werd.

De Zwarte Zee bezit een geringer zoutgehalte dan de Middellandsche Zee. Terwijl deze laatste bij geringen toevoer van rivierwater een aanzienlijk waterverlies door verdamping ondergaat, ontvangt de Zwarte Zee een groote hoeveelheid zoet water van aanzienlijke stroomen en is daarenboven wegens haar meer noordelijke ligging aan een veel geringere verdamping blootgesteld. Bij de nieuwste onderzoekingen heeft men aan de oppervlakte van de zee geen regelmatige stroomingen ontdekt; wel is er een dieptestroom, die van uit den Bosporus voortdurend zout water naar de Zwarte Zee voert. Eb en vloed zijn in de Zwarte Zee nagenoeg niet merkbaar. De diepte bedraagt op de noordwestkust slechts 70—110 m., neemt naar het O. belangrijk toe en beraagt tusschen den Krim en Klein-Azië 2 244 m.; de gemiddelde diepte van de Zwarte Zee wordt op 1197 m. berekend. De temperatuur van den bodem op groote diepten bedraagt 9°, op een diepte van 60—60 m. vindt men opvallend lage temperaturen (6—7° C). In dit opzicht komt de Zwarte

Sluiten