Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kamer c bereikt, waaruit de lucht, welke bij de verhitting zich uitzet, door een klep ontwijken kan. Door een schuif f kan deze kamer afgesloten worden van de retort. De beide retorten worden afwisselend met 300 kg. gesmolten zwavel gevuld en in 8 uur afgedreven, zoodat per 24 uur 1800 kg. zwavel kan worden geraffineerd. Ter bereiding van pijpzwavel houdt men de temperatuur van c boven 112° C.; de gesmolten zwavel wordt door g afgelaten, in h verzameld en van hier in de vormen i geschept. Bij de bereiding van bloem van zwavel kunnen per 24 uur slechts twee bewerkingen met 160 kg. zwavel per retort worden uitgevoerd, daar anders de temperatuur te veel oploopt. Het toestel van Dujardin te Merxem bij Antwerpen (fig. 5) heeft een lensvormig, gegoten ijzeren reservoir a, dat door het vuur b wordt verwarmd en uit een voorwarmer c door de buis d van vloeibare zwavel voorzien, zoodra men de tap e omhoog tilt. Door de buis g, voorzien van het ventiel f, bereiken de dampen de koelkamer. Door h wordt de zwavelslak uitgehaald; zij valt door i in den bak k. Een Duitsche toestel is nog eenvoudiger. Deze bestaat uit twee ketels van gegoten ijzer, welke door een knievormige buis

eenig ander element afhankelijk van de temperatuur. Dit blijkt uit onderstaande tabel:

Tempera- Moleculair- Aantal

,dichtheid ... atomen oer

tuur" (lucht =1). gcwlcht' molecuul.

467,°9 C. 7,937 228,6 7,1

534, 4 6,975 200,7 6,3

606, 0 4,734 136,2 4,3

860 2,23 64,2 2,0

1040 2,23 64,2 2,0

Fig. 5.

Fig. 6

Lengtedoorsnede. Dwarsdoorsnede

Raffineertoestel van Dujardin.

verbonden zijn. De ééne wordt met vloeibare zwar vel gevuld en verhit; de zwaveldampen worden in den tweeden verdicht.

Zwavel kan in verschillende allotrope modificaties optreden. De vorm, welke bij gewone temperatuur stabiel is, is vast, geel en gekristalliseerd. In vasten toestond zijn minstens 4 allotrope toestanden bekend: de rhombische, monokline, amorfe en plastische. Beneden 95°,6C. is de rhombische, daarboven de monokline modificatie stabiel; bij de temperatuur van het overgangspunt zijn zij met elkander in evenwicht. Het soortelijk gewicht en het smeltpunt van rhombische zwavel bedragen 2,06 en 114°,5 C.,van monokline resp. 1,96 en 119°,25 C. Gesmolten zwavel wordt bij verhitting donkerder en dikvloeibaar. Tusschen 200° en 250° C. is zij donker roodbruin en taai, terwijl zij bij nog hooger temperatuur weder beweeglijker wordt, totdat zij, onder ontwikkeling van bruine dampen, bij 444,°5 C. kookt. Zwavel is onoplosbaar in water, weinig oplosbaar in alkohol en aether, wat meer in benzol, petroleum en terpentijnolie en gemakkelijk in zwavelkoolstof en chloorzwavel. Zij geleidt de warmte en de electriciteit slecht en wordt bij wrijven sterk electrisch.

Het moleculair gewicht is bij zwavel meer dan bij

Daaruit volgt, dat in de nabijheid van het kookpunt de gemiddelde moleculaire grootte S7 bedraagt en dat zij bij 860° C. is afgenomen tot S2.

Zwavel kan zich rechtstreeks met vele andere elementen, metalloïden zoowel als metalen, verbinden. Aan de open lucht verwarmd, ontvlamt zij bij 261° C. en verbrandt met een blauwe, weinig lichtgevende vlam tot zwaveligzuur (zwaveloxied). Fijn verdeelde zwavel oxydeert aan de open lucht ook bij gewone

temperatuur. Door salpeterzuur wordt zij snel geoxydeerd tot zwavelzuur. Met de meeste metalen levert zij zwavelmetalen, soms onder vuurverschijnselen. Met chloor, broom, jood en phosforus verbindt zij zich bij gewone, met koolstof en waterstof bij hoogere temperaturen. Wordt zij met alkalische basen gesmolten of met haar oplossingen gekookt, dan ontstaan zwavellevers. Zwavel is tweewaardig, in organische zwavelbasen vierwaardig en ten opzichte van zuurstof ook zeswaardig (S03). Verbindingen van de tweewaardige zwavel noemt men tlriover-

bindingen, die van de vierwaardige sulfideverbindingen en die van de zeswaardige sulfoveriindingen. Met zuurstof vormt zwavel 5 oxieden: zwaveldioxied (zwaveligzuur anhydried, ook zwaveligzuur, S02), zwaveltrioxied (zwavelzuuranhydried, S03), zwavelsesquioxied (S203), zwavelhexoxied (S206) en zwavelhept- of peroxied (S207). Met zuurstof en waterstof vormt zij de volgende zuren: hydro- of onderzwaveligzuur (H2S204), zwaveligzuur (H2S04), zwavelzuur (H2S04), thiozwavelzuur (dikwijls ook onderzwaveligzuur geheeten, H2S203), dithion- of onderzwavelzuur (H2S206), trithionzuur (H2S3Os), tetrathionzuur (H2S40t), penthationzuur (H2S606), per- of overzwavelzuur(HS04) en sulfomonoperzuur (H2S209).

Zwavel dient ter bereiding van verschillende van zijn verbindingen als: zwavelig- en zwavelzuur, zwavelkoolstof, zwavellever, zwavelchloruur, cinnober, ultramarijn enz., voor het vulkaniseeren van caoutchouc, ter bereiding van lucifers, buskruit en vuurwerk, voor afgietsels en kitten, vooral vermengd met ijzeroxied of glaspoeder, een massa (zeïodeleit), van welke ook andere voorwerpen, als knoppen van wandelstokken, presse-papiers enz. vervaardigd worden, verder in den vorm van bloem van zwavel ter bestuiving van den wijnstok tegen de

Sluiten