Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerden toren dateert uit 1859. Rookend zwavelzuur, sedert de 16ae eeuw in Bohemen, Saksen en in den Harz en vooral in den omtrek van Nordhausen bereid, wordt in den lateren tijd bijna alleen door de Boheemsche firma Starck in den handel gebracht. Het contact-procédé, in 1831 door Philips uitgevonden, nam snel in beteekenis toe, toen door de bereiding van teerverfstoffen de behoefte aan zwavelzuur sterk was vermeerderd.

Zwavelzuuranhydried (Zwaveltrioxied, Salvolatile vitrioli), S03, ontstaat bij het verhitten van de sulfaten van verschillende zware metalen, bijv. van ijzersulfaat en van de pyrosulfaten der alkalimetalen, alsmede bij het roosten van sulfieden. Het wordt bereid door geconcentreerd zwavelzuur met phosforpentoxied te destilleeren of door rookend zwavelzuur in een destillatietoestel voorzichtig te verwannen. Ook ontstaat het, wanneer zwaveldioxied, vermengd met lucht, bij hoogere temperaturen over contactstoffen gevoerd wordt, waarvan men in de techniek gebruik maakt door zwaveldioxiedrijke roostgassen bij 450° over geplatineerd asbest te leiden. De roostgassen moeten vooraf gereinigd worden, waarbij het vooral aankomt op volledige verwijdering van arsenicum, dat de contactwerking tegengaat. Aldus kan 96—98% van het zwaveldioxied in zwavelzuuranhydried worden omgezet. Het vormt kleurlooze prisma's met een soortelijk gewicht van 1,9845, smelt bij 14,8° C. tot een kleurlooze vloeistof, kookt bij 46° C. en kan slechts in gesloten vaten boven 27° C. onveranderd worden bewaard. In volkomen drogen toestand reageert het neutraal. Het neemt zeer begeerig water op, vormt aan de lucht dikke, witte nevels en geeft met water, onder gesis als van gloeiend ijzer, zwavelzuur. Het verkoolt vele organische stoffen, vormt met andere sulfozuren en werkt op verschillende explodeerend onder vorming van zwaveligzuur. Men verzendt zwavelzuuranhydried met een gehalte van 2% zwavelzuur in dicht gesoldeerde, blikken bussen. Als vaste vitrioololie komt echter ook een produkt in den handel, dat 40% zwavelzuuranhydried en 60% zwavelzuur bevat. Het wordt gebruikt in plaats van rookend zwavelzuur, dat het hoe langer zoo meer verdringt, omdat het gemakkelijker kan worden verzonden, vooral in de teerverfstoffenindustrie. Voorzichtigheid bij het gebruik is echter geboden, omdat het in gesmolten of opgelosten toestand op de huid boosaardige brandwonden veroorzaakt, welke slechts langzaam genezen. Zwavelzuuranhydried werd door Basilius Valentinus uit ijzervitriool en door Bernhard in 1775 uit rookend zwavelzuur bereid. Philips nam in 1831patent op een procédé ter bereiding van zwavelzuuranhydried uit zwaveligzuuranhydried en zuurstof met behulp van platina.

Zwavelzuur baryt. Zie Barytwit.

Zwavelzuurkoper (Kopersulfaat, Cuprisulfaat). Zie Kopervitriool.

Zwavelzuurkwikzilveroxied (Mercurisulfaat). Zie Kwikzilverzouten.

Zwavelzuur lood (Loodsulfaat, Loodvitriooi), PbS04, komt in de natuur voor als anglesiet, gebonden aan loodcarbonaat als leadhilliet en lanarkiet, en wordt verkregen als een zware neerslag door oplossingen van loodzouten te vermengen met zwavelzuur of sulfaten. Het ontstaat eveneens door de inwerking van heet, geconcentreerd zwavelzuur

op lood en als nevenprodukt bij verschillende technische procédés, o. a. de bereiding van roodbijts, d. i. aluminiumacetaat uit loodsuiker en aluminiumsulfaat. Het is kleurloos, heeft een soortelijk gewicht van 6,2 en lost moeilijk op in water. Bij verhitting smelt het, om bij het stollen kristallijn te worden. Het vindt, als nevenprodukt verkregen, toepassing ter bereiding van loodwit; men reduceert liet door smelten met krijt, koolstof en vloeispaat tot lood, bereidt er door koken met baryumacetaat loodsuiker en barytwit uit, terwijl het eveneens toepassing vindt tot het ontzinken van werklood. In een oplossing van natriumcliloried wordt het door zink gereduceerd tot sponsachtig lood, dat, door samenpersen verdicht, gebruikt wordt voor het afvormen van medailles enz.

Zwavelzuur Ijzer is de gemeenschappelijke naam voor de sulfaten van ijzer. Voor zwavelzuur ijzeroxyduul raadplege men het artikel ijzervitriool. Zwavelzuurijzeroxyd (ijzeroxiedsulfaat, ferrisulfaat), Fe2 (S04)3, komt in de natuur voor als coquimbiet en ontstaat door ijzeroxied of hydroxied op te lossen in zwavelzuur, alsmede door oxydatie van een met zwavelzuur aangezuurde oplossing van ijzervitriool door salpeterzuur. Het vormt een geelachtig witte, watervrije massa, welke in water langzaam en met roodbruine kleur oplost; deze oplossing reageert sterk zuur en lost de meeste metalen onder vorming van ijzervitriool op. Zwavelzuur ijzeroxied vormt zwak basische zouten, waarvan er verschillende in de natuur voorkomen (vitriooloker, fibroferriet enz.). Men gebruikt het ter bereiding van andere ijzerverbindingen en van rookend zwavelzuur, als zwartbijts in de zijdeververij en als geneesmiddel. Een mengsel van 45 dln. zwavelzuur ijzeroxiedoplossing, 2 dln. overmangaanzure kali en 53 dln. water vindt onder den naam van ijzerkameleon als ontsmettingsmiddel toepassing. Met de alkalisulfaten vormt het ijzeraluin (zie aldaar).

Zwavelzuur zilver (Zilversulfaat), Ag2 S04, ontstaat door inwerking van heet, geconcentreerd zwavelzuur op zilver. Het vormt kleine, kleurlooze, watervrije kristallen met een soortelijk gewicht van 5,41, die moeilijk oplossen in water en gemakkelijker in warm zuur. Daarop berust het affineeren van goud.

Zwavelzuur zink. Zie Zinkvitriool.

Zweden (zie de kaart Zweden en Noorwegen bij het art. Noorwegen), door de inwoners Sverige geheeten, een koninkrijk, dat de grootste, oostelijke helft van het Skandinavisch schiereiland beslaat, ligt tusschen 55°20' en 69°3' N. Br. en tusschen 11° 8'—24°9' O. L. van Gr. Het grenst in het westen aan Noorwegen, het Skagerrak, het Kattegat en de Sont, in het zuiden en in het oosten aan de Oostzee, de Botnische Golf en Finland, waarvan het door de Torne- en de Muonio-elf gescheiden is. De oppervlakte bedraagt volgens de berekening van Strellitsky 450574,3 v. km., officieel wordt zij op 447864 v. km. aangegeven.

Gesteldheid van den bodem. Terwijl Noorwegen, dat zich over de westelijke helft van Skandinavië uitstrekt, over het geheel uit een hoog bergland bestaat, vormt Zweden met zijn drie groote historische landschappen (Gotland in het zuiden, Svealand in het midden en Norrland in het noorden) over het geheel een vlakte, welke zich slechts weinig boven den zeespiegel verheft. Onge-

Sluiten