Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veer 98 753 v. km. hebben een hoogte van meer dan 400 m. en niet minder dan 136 600 v. km. ligt lager dan 100 m. Het hoogste deel van Zweden is het gebergte van Norrland, dat van de ijszee in het N. tot Dalarne in het Z. reikt. Het is een massief bergland, dat het grootste deel van Noord-Zweden inneemt, op verschillende plaatsen door breede dalkloven doorsneden wordt en een aantal kegelbergen draagt. Het bergland daalt langzaam naar de Botnische Golf af, bereikt slechts op enkele plaatsen de kust, maar is meestal door een kustvlakte er van gescheiden. De hoogste toppen vindt men in Lapmarken, o.a. de Kebnekaissee (2123 m.), de Sarjektj&kko (2090 m.), de Sulitjelma (1880 m.) in Norrbotten, verder naar het zuiden de Areskutan (1472 m.) in Jemtland en de Stadjan (1176 m.) in Dalarne. In de Zweedsche hooggebergten treft men ongeveer 100 gletschers aan, die een oppervlakte van omstreeks 400 v. km. hebben. Ten Z. van het gebergte van Norrland ligt het vlakland vanMidden-Zweden, dat de groote vlakten om het Malar-, Hjelmar,Wener- en Wettermeer omvat. In dit vlakland komen nog alleenstaande bergen voor,zooals de Kinnekulle (279 m.), de Billingen (300 m.)., de Halleberg (150 m.) en de Hunneberg (135 m.). Ten Z. daarvan treft men het hoogland van Zuid-Zweden aan, dat in het bergplateau van Smüland, waarvan de Tomtebacken (377 m.) en de Taberg (343 m.) de hoogste toppen zijn, een gemiddelde hoogte van 260 m. bereikt. Het bergland van Sm&land beslaat het noordelijk gedeelte van Schonen, terwijl het zuiden daarvan een vlakte vormt. Tot Zweden behoort het eiland Gotland of Gottland (zie aldaar). De gedaante der kust is in Zweden veel eenvoudiger dan in Noorwegen. Fjorden, welke aan laatstgenoemd land een eigenaardig voorkomen geven, komen in Zweden weinig voor. Tot de boezems en baaien van het Kattegat behooren slechts de kleine Gullmars en Kongsbackafjorden, alsmede de Laholmsbaai en de Skeldervik, aan de Oostzee de baaien Slatbaken Br&viken en eindelijk de mond van de Malar (bij Stockholm) met zijn talrijke eilanden. Daarentegen bezit Zweden een nog meer ontwikkelden Skargard (Scheeren- of Eilandengaard) dan Noorwegen. Zijn tallooze kleine eilanden zijn voor de kustvaart van het grootste belang, daar zij bij stormen een veilige wijkplaats verschaffen aan de schepen. In het Skagerrak en Kattegat liggen de beide eilanden Oroust en Tjörn, in de Sont het eiland Hyen en in de Oostzee, behalve Gottland en Oeland, de Stockholmer scheeren Utö, Muskö, Ornö, Wermdö, Ljusterö, Grasö enz. Aan den ingang van de Botnische Golf heeft men de Russische Alandseilanden en ook in zijn smalste gedeelte heeft men tusschen Ume& en Wasa een groep eilanden.

Geologie. Het grootste deel van den bodem wordt door archaeïsche vormingen (graniet, syeniet, gabbro, gneis, glimmerlei enz.) ingenomen; daarop liggen op verschillende plaatsen in Dalecarlië, Jemtland, Oost- en Westgotland en Schonen verschillende soorten zandsteen en leisteen uit de cambrische formatie en silurische gesteenten. Soms bedekken zij groote uitgestrektheden, soms treden zij afzonderlijk op. Jongere sedimenten uit het bovenste trias, de jura- en de krijtvormingen vindt men alleen in Zuid-Zweden; tusschen deze gesteenten en soortgelijke op de Deensche eilanden, Rugen en in de Oostzeeprovinciën bestaat verband. In

Zweden vindt men vele sporen van den diluvialen ijstijd. Nuttige delfstoffen komen er in een groote hoeveelheid voor; in het gneisgebied liggen uitgestrekte ijzerertslagen, zooals bij Dannemora, Gellivara, Kiruna enz., koperertsen vindt men bij Tunaberg en Falun, zinkertsen bij het Wettermeer, zilver en lood bij Sala.

Wateren. Evenals Noorwegen, is ook Zweden, dat afhelt naar de Oostzee, het Kattegat en het Skagerrak een waterrijk land. Een groote rivier draagt in het Zweedsch den naam van Elf (meervoud Elfvar) en een kleine dien van A (meervoud Aar). In de Oostzee monden uit: de Torneê,- (met de Muonio), de Kalix, de Rlneè, de Lueft-, de Pitea-, de Skellefteü, de Umeê,- (met de Vindels-), de Angerman-, de Indals-, de Ljusne- en de Mota-elf, in het Kattegat de Gota elf, de afvoerrivier (82 km lang) van het Wenermeer, met de Klar-elf, het Philipstadsche en het Dalslandsche waterenstelsel als zijrivieren. Slechts enkele van deze rivieren zijn over een groot gedeelte van haar loop bevaarbaar, een aantal zijn door den aanleg van kanalen bevaarbaar gemaakt. Men vindt er een aantal watervallen, zooals de Niaumelsaska (Hazensprong) in de Luleü (80 m. hoog), de Tannfors in Jemtland (26 m. hoog), de Elfkarlebyval in de Dal-elf (16 m. hoog) en de Trolhatta in de Göta-elf (33 m. hoog). Van de belangrijkste kanalen vermelden wij: het Hjelmar-, het Södertelge- en het Kindakanaal (in Oost-Gotland tot verbinding van onderscheiden meren met de Roxen, door welke het Götakanaal gelegd is), het Trolhattakanaal, het Seflekanaal tusschen het Wenermeer en de Glafsjord (Arvika) en een kanalenstelsel tot verbinding van de meren in Dalsland, zoowel onderling, als met het Wenermeer. Opmerkelijk is de aanzienlijke hoeveelheid groote en kleine meren in Zweden; zij beslaan een oppervlakte van 37 370 v. km. of 8,3% van het geheele land. Na de Russische meren van Ladoga en Onega is het Wenermeer het grootste in Europa en hierop volgen het Wettermeer, het Malarmeer, dat zich bij Stockholm uitstrekt tot in de nabijheid der zee en het Hjelmarmeer. Van de overige meren noemen wij; Siljan in Dalarne, Storsjön in Jemtland, Dellen in Helsingland, Hornafvan, Storafvan, Lulejavr en Torneastrask in Lapland.

Klimaat, Planten en Dieren. Zweden behoort tot het klimaatgebied van den Atlantischen Oceaan, in'verschillende opzichten echter wijkt het klimaat af van dat van de westkust van Noorwegen. De gemiddelde zomertemperatuur bedraagt te Upsala 30°, de gemiddelde wintertemperatuur — 24° C.; naar het N. toe wordt het verschil tusschen zomer en winter grooter; de hoogste en laagste jaartemperatuur bedraagt te Lund 33° en —24° C., te Stockholm 33° en — 30°, te Haparanda 32° en — 40° C. De meeste regen valt in den zomer en in den herfst. De gemiddelde jaarlijksche regenhoeveelheid bedraagt te Gotenburg 770, te Jönköping 490, te Lund 580, te Kalmar 360, te Stockholm 440, te Hernösand 550, te östersund 420 en te Haparanda 450 mm. Te Stockholm is de bodem bijna 100, in Lapland 190 dagen jaarlijks met sneeuw bedekt.

De plantenwereld behoort in het N. tot de zone van het Europeesche naaldhout, in het Z. tot die van de loofboomen. In het N. van Lapmarken hëeft de plantengroei een arktisch karakter. De bosschen bestaan in het N. van Zweden voornamelijk uit

Sluiten