Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

berken, pijnboomen en dennen, de bodem is met mos bedekt, open gedeelten worden ingenomen door heidevelden, in lage streken komen moerasplanten en rietgrassen voor. In het Z. van Zweden vindt men eiken, beuken, en esschen, terwijl de bodem bedekt is met struikgewas en kruidachtige planten van de Middel-Europeesche plantenwereld.

De dierenwereld behoort tot het palaearktisch gebied, doch bezit ook arktische vormen. Beren, wolven, vossen en lynxen komen niet zoo veel meer voor als vroeger. De veelvraat treft men vooral in de hooggebergten aan, de ijsvos in de hooge, kale streken van het binnenland. Herten, reeën en elanden komen zelden voor, de lemming treft men ten N. van 62° N. Br. aan. Van de overige zoogdieren zijn insekteneters en knaagdieren de meest voorkomende. Men heeft er ongeveer 221 soorten broedvogels, waarvan de meeste tot de muschachtige bebooren, terwijl de roofvogels door omstreeks 27 soorten zijn vertegenwoordigd. Op wilde hoenderen wordt veel jacht gemaakt. Reptiliën en amphibiën zijn in Zweden niet rijk vertegenwoordigd. De binnenwateren leveren veel visch, vooral zalm; ook aan de kusten is de vischvangst van veel belang.

Bevolking. Het aantal inwoners werd in 1908 op 5 429 600 berekend. Zij waren over de verschillende lans als volgt verdeeld:

T v .. Grootte Inwoners

L A iN' in v.km. in 1908.

A. Svealand.

Stockholm (stad) 32 339B82

Stockholm 7812 213546

Upsala 5313 126334

Södermanland 6811 173207

Oost-Gotland 11046 289876

Jönköping 11522 211377

Kronoberg 9910 157801

Kalmar 11543 227752

Gotland 3160 54138

Blekinge 3015 148746

Christianstad 6445 224596

B. Gotaland.

Malmöhus 4829 447274

Halland 4921 146296

Gotenburg en Bohus 5047 372004

Elfsborg 12729 284860

Skaraborg 8480 239865

Wermland 19324 258220

Örebro 9124 204711

Westmanland 6740 150476

Kopparberg 29849 231109

C. Nonland.

Gefleborg 19724 251015

Westernorrland 25532 246893

Jemtland 50972 115755

Westerbotten 58993 158057

Norrbotten 105882 156111

De bevolking woont voor ongeveer drie vierde op het land, voor één vierde in de steden. Zij bestond in 1908 uit 2 654 766 mannelijke en 2 774 834 vrouwelijke personen. Op 1 000 inwoners bedroeg het aantal huwelijken 6,1 het aantal geboorten 25,73, het aantal sterfgevallen 14,92. Verder vertrokken 2,31°|000 naar het buitenland, terwijl zich 1,82°|000

in Zweden vestigden. Het grootste deel van de bevolking bestaat uit Zweden, die met de Denen en de Noorwegers een tak van den Germaanschen stam vormen. Hun taal vertoont veel overeenkomst met die van de naburige volkeren, zoodat zij elkander zonder moeite verstaan. De Zweden bezitten meestal een hooge, slanke gestalte, een blanke huid, bruin of blond haar, blauwe oogen en sprekende trekken. Om hun bevallige bewegingen worden zij wel de Franschen van het noorden genoemd. Zij zijn phlegmatisch, ernstig, eerlijk, onbaatzuchtig en gastvrij en bezitten een groote liefde voor hun godsdienst, vaderland, wetten en vrijheid. Verder zijn zij vlug van begrip en bezitten een juist oordeel. Tot hun grootste ondeugden behooren hun neiging voor alcoholische dranken en hun voorliefde voor uiterlijke pronk. De Dalecarliërs (zie Dalarné) hebben vele eigenaardigheden bewaard. De woningen zijn meestal van hout, alleen in de grootste steden, zooals Stockholm en Gotenburg, worden zij gewoonlijk van steen vervaardigd. Aan de grenzen van Finland in Norbottenlan en in eenige wouddistrikten van Midden-Zweden wonen Finnen; in 1900 bedroeg hun aantal 22 618, de Lappen (1900 : 6 983) zijn meest in Lapland gevestigd, het aantal Israëlieten bedroeg (1900) 3 912. De vreemdelingen, die zich in Zweden vestigen, vermengen zich meestal spoedig met de Zweden.

De staatsgodsdienst is de Evangelisch-Luthersche. Er bestaat echter een volkomen vrijheid van godsdienst. Behalve de reeds genoemde Israëlieten waren er in 1900:107 Hervormden, 2 378 RoomschKatholieken, 44 Grieksch-Katholieken, 41 530 Baptisten, 7041 Methodisten, 8 750 andere Christenen en 51 Mormonen. Het land is verdeeld in 13 bisdommen, elk bisdom heeft een bisschop en een geestelijk consistorium of domkapittel, Stockholm bezit bovendien nog een hof- en een stadsconsistorium. Aan het hoofd van de bisdommen staat de aartsbisschop van Upsala als primas van het rijk. Zweden bevat 186 proostdijen, waarvan ieder een aantal pastoraten omvat.

Middelen v a n b e s t a a n. De oppervlakte van het land bedraagt in Zweden 41101193 H. A.; daarvan werden in 1907 3 615 676 H. A. door den landbouw, 42 861H. A. door den tuinbouw, 1339 325 H. A. door weiland en 21 437 241 H. A. door bosschen in beslag genomen. De grootste goederen, namelijk die, welke oorspronkelijk aan den adel behoorden, zijn van vele lasten bevrijd, waaraan de overige zijn onderworpen. Het grootgrondbezit is het meest verbreid in Södermanland, Malmöhus en Stockholm. In het algemeen echter heerscht het kleingrondbezit, zoodat Zweden een zelfstandigen, vrijen boerenstand bezit. Van alle landerijen wordt 85% door eigenaars, 15% door pachters beheerd. De landbouw heeft zich in de 19de eeuw zeer ontwikkeld. Gerst is het noordelijkste graangewas en is in de 5 noordelijkste lans het hoofdprodukt, haver komt in het N. minder voor, doch wordt verder naar het Z. het meest verbouwd. Het is het voornaamste uitvoerprodukt van den landbouw. Voor inlandsch verbruik komt de rogge het meest in aanmerking; het wordt in alle lans veel verbouwd, het minst in de 5 noordelijke lans en in Gotenburg. Tarwe komt in het noorden weinig voor, in het zuiden wordt het tamelijk veel verbouwd. Aardappelen kweekt men overal. Tot de voornaamste landbouw-

Sluiten